Ontsmettende doekjes (wipes)

Behandeling van huidinfecties

Er bestaan veel verschillende soorten ziekteverwekkers. Huidinfecties kunnen door bacteriën, gisten of schimmels veroorzaakt worden. Niet elke infectie wordt op dezelfde manier behandeld. Tegenwoordig kunnen we gelukkig op meerdere manieren huidinfecties bij honden, katten en andere dieren behandelen. 

Er bestaan meerdere soorten bacteriële huidinfecties; oppervlakte, oppervlakkige en diepe infecties. Bij de behandeling heeft het gebruik van antibiotica sinds enkele jaren een andere plek gekregen. Antibiotica resistentie is natuurlijk één van de belangrijkste redenen hiervoor. Het is belangrijk dat we met z’n alle proberen zo min mogelijk antibiotica te gebruiken en hier verstandig mee omgaan. Het gebruik van antiseptische huidverzorgingsproducten is dan ook in opkomst.

Een andere veelvoorkomende huidinfectie is Malassezia dermatitis. De infectie wordt veroorzaakt door een overgroei van gisten waarbij er vrijwel altijd een onderliggende oorzaak te vinden is. Gisten zijn eencellige schimmels en worden meestal lokaal behandeld met een medicinale shampoo. Soms zijn orale anti-schimmel medicijnen nodig.

Lees meer over huidinfecties door bacteriën en gisten in het artikel “Huidinfecties bij de hond“.

Bij de behandeling van een dermatophytose (schimmelinfectie) is vaak een combinatie van lokale en systemische anti-schimmel middelen nodig. Gelukkig komen schimmelinfecties bij honden en katten niet vaak voor. Lees meer over dermatophytose in het artikel “Schimmelinfecties bij hond en kat“.

Alternatief voor antibiotica en andere medicatie

Naast antibiotica en anti-schimmel middelen bestaan er veel ingrediënten die tegen diverse micro-organismen ingezet kunnen worden. Voorbeelden van werkzame stoffen en ingrediënten zijn honing, chloorhexidine en azijnzuur. 

Er zijn verschillende soorten producten met antiseptische ingrediënten verkrijgbaar: shampoo, mousse, spray, zalf, gel, doekjes etc. Op deze pagina vind je een overzicht met ontsmettende doekjes. 

Ontsmettende doekjes

Wanneer kun je de doekjes gebruiken?

  • Ontstekingen van huidplooien (neus, staart, lip)
  • Reiniging van nagelbed, tussenteenhuid, oorschelp en kin van allergische honden met terugkerende huidinfecties
  • Kin acne bij hond of kat
  • Lipplooi eczeem bij de hond
  • Aanvullend op antibiotica behandeling van huidinfecties
  • Puppypyodermie: huidinfectie van de buik  bij puppies en jonge honden
  • Reiniging van gebied rondom vulva bij honden met urine incontinentie (voorkomen of behandelen van urinebrand) of overgewicht
  • Aanvullend op de behandeling van hotspots

Overzicht:

Maxani chloorhexidine doekjes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine 
  • Aloë vera
  • Glycerine
  • Benzoëzuur (E210)
  • Vitamine E
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties

*40 stuks per verpakking

Dermoscent® PYOclean wipes

Ingrediënten
  • Plantaardige olie van hennep
  • PhytoC-2® (plantenextract)
  • Essentiële olie van Cajputi
  • Allantoïne
  • Lipo-aminozuren van groene appels & extracten van zeepkruid (Saponaria wortel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en milde Malassezia dermatitis

*20 stuks per verpakking

Douxo® PYO pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • Phytosphingosine
  • Groene thee extracten
  • Parfum (zeer mild)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*30 stuks per verpakking

ecuphar pads

Dermazyme® Pyo Chloorhexidine pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

microsilver pads

Dermazyme® Pyo Microsilver pads

Ingrediënten
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

malacetic wipes

MalAcetic wipes

Ingrediënten
  • Azijnzuur (2%)
  • Boorzuur (2%)
  • Propyleenglycol
  • Polysorbaat
  • Glycerine
  • Geurstof (appel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*100 stuks per verpakking

clx wipes

CLX wipes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine
  • Tris-EDTA
  • Zinkgluconaat
  • Glycerine
  • Climbazol
  • Benzylalcohol
  • Propyleenglycol
  • Parfum
  • Gedemineraliseerd water
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*40 stuks per verpakking

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Schimmelinfecties bij hond en kat

Dermatophytose

Dermatophytose is een oppervlakkige schimmelinfectie van de huid bij honden en katten. Veel mensen noemen deze huidaandoening ook wel ringworm. Deze naam komt van de klassieke huidafwijking die we bij mensen zien: een ronde, rode ‘ring’. 

Merendeel van de schimmelinfecties bij dieren worden veroorzaakt door Microsporum canis, Microsporum gypseum en Trichophyton soorten (spp.). Bij de kat wordt meer dan 90% van de infecties door M. canis veroorzaakt. Bij de hond zien we vaker problemen door M. gypseum en Trichophyton. Er zijn meer dan 20 dermatophytsoorten bekend bij hond en kat. Dermatophyten zijn schimmels die infecties van huid, haren of nagels veroorzaken. 

Hoewel we in de praktijk dagelijks huidpatiënten zien, komen schimmelinfecties bij hond en kat maar weinig voor. Ongeveer 0-4% van de dieren heeft hier last van. Er wordt dan ook tegenwoordig gezegd: “It is NOT ringworm until proven“.

Dieren kunnen een schimmelinfectie oplopen na direct contact met sporen die ín de vacht aanwezig zijn. Besmet raken via sporen in de omgeving is zeldzaam. Sporen in de omgeving vormen alleen een risico als de huid beschadigd is en de sporen via een object met de huid in aanraking komen (denk dan aan een borstel of scheerapparaat). Sporen van dermatophyten hebben namelijk keratine nodig om te overleven en kunnen niet zomaar aan de huid vasthechten. Keratine is een eiwit van het lichaam dat onder andere in de opperhuid, nagels en haren van mens en veel diersoorten voorkomt.

Risicofactoren

  1. Leeftijd: zowel jonge als oude dieren zijn meer gevoelig voor het oplopen van schimmelinfecties
  2. Vachtconditie: slechte vachtverzorging bij langharige katten maakt ze gevoeliger voor schimmelinfecties (de sporen worden niet goed uit de vacht verwijderd). Dit geldt ook voor dieren met vilt of klitten
  3. Verlaagde afweer: door een onderliggende aandoening, willekeurige ziekte, andere omstandigheden (bv. dracht) of immuunonderdrukkende medicatie (zoals prednisolon) 
  4. Landelijke omgeving / ‘life style’: deze dieren hebben vaker kleine huidbeschadigingen of worden direct blootgesteld aan besmette dieren (wilde knaagdieren) of objecten
  5. Parasieten van de huid (vlooien, mijten), jeuk en andere huidinfecties: door microtrauma van de huid neemt de gevoeligheid voor dermatophytose toe
  6. Warmte en vochtigheid: predisponeren voor schimmelinfecties
  7. Kennel, cattery, honden- of kattenshow, pension, uitlaatservice: maar ook andere plekken waar honden of katten veel met elkaar in contact komen, zij hebben een groter risico

Zoönose

Dermatophytose is een zoönose. Alle genoemde dermatophyten kunnen de mens infecteren.
Het is echter geen ernstige ziekte voor de mens (of dier) en het is gelukkig ook niet ongeneselijk!

Bij mensen zien we vaker schimmelinfecties door een verminderde afweer (kinderen, ouderen, chronisch zieke personen). De schimmel dringt de buitenste laag van de huid binnen, groeit daar en vormt sporen. Via de sporen kan de infectie zich verspreiden (ook naar andere personen of zelfs dieren). De schimmel veroorzaakt een typische rode, ronde ring die vaak steeds groter wordt. De huidplek geneest vanuit het midden en gaat uiteindelijk vanzelf weer weg. Bij mensen met een verminderde afweer kan de infectie heviger zijn en meer klachten met zich mee brengen. De genezing duurt dan vaak ook langer doordat het afweersysteem niet goed functioneert.

Lees meer over ringworm bij mensen op de website van het RIVM

Hoe ontstaan de klachten?

Een hond of kat raakt besmet met dermatophyten na direct contact met schimmelsporen. Dit kan op twee manieren gebeuren: via een besmet dier of via zogenaamde ‘fomieten’. Fomieten zijn objecten die pathogenen overbrengen. Bijvoorbeeld: dekentjes, mandjes, borstels of kooien. 

Een gezond dier krijgt niet zomaar ringworm. De huid moet beschadigd zijn alvorens de schimmelsporen zich kunnen vasthechten en koloniseren. 

Na direct contact met de sporen, zullen deze binnen 12 uur ‘ontkiemen’ en binnen 24 uur zijn de sporen de haar of huid binnengedrongen via speciale vezeltjes (‘fibrils’). Meeste schimmelinfecties zijn zelflimiterend. Het afweersysteem van de hond of kat ruimt de indringer op via een ontstekingsreactie en versnelde celdeling van de opperhuid (keratinisatie). Dermatophyten hebben echter de nare eigenschap om de reactie van het afweersysteem te omzeilen of aan te passen. Het lichaam kan de infectie niet klaren en het dier wordt ziek. 

We zien schimmelinfecties daarom vooral bij dieren waarbij het afweersysteem verzwakt is (jonge, oude of zieke dieren). 

Symptomen

Hond

Schimmelinfecties bij de hond gaan gepaard met verlies van haren. De schimmelsporen tasten de haren aan waardoor deze afbreken en het dier kaal lijkt te worden.

De kaalheid (alopecia) kan gepaard gaan met:

  • schilfers
  • korstvorming
  • roodheid van de huid
  • verdikking van de huid (lichenificatie)
  • zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie)

Over het algemeen heeft de hond meerdere kale plekken. Deze kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn. Bij kortharige honden met ronde kale plekken (niet symmetrisch) moeten we ook denken aan een bacteriële huidinfectie of demodicosis (mijten). 

Een hond met ringworm hoeft niet perse jeuk te hebben. Dit is eerder een uitzondering dan de regel, het hangt ook af van de soort schimmel waarmee het dier besmet is.

IMG-20180127-WA0005
20170209_104342

Kat

De symptomen bij een kat worden deels bepaald door de algehele gezondheid van de kat. Een kat met een hele heftige schimmelinfectie heeft dus eigenlijk meer last van de onderliggende ziekte dan de schimmel zelf. 

Bij de kat kennen we drie soorten infecties:

  • Simpele infectie
    Gezonde katten of kittens met beperkte en milde klachten. Genezen ook snel met of zonder behandeling. 
  • Gecompliceerde infectie
    Katten met uitgebreide klachten en een onderliggende ziekte (meestal voorste luchtweg problemen zoals niesziekte). Ze hebben vaak lange haren en huidontstekingen. Katten met gecompliceerde infecties zijn moeilijker te behandelen; het duurt vaak lang en recidieven komen voor.
  • Dragers
    Katten (vaak langharige) die sporen met zich meedragen maar zelf geen klachten hebben. Ze worden ook wel ‘stof moppen’ genoemd. 

Het kan lastig zijn om een schimmelinfectie te diagnosticeren. De klinische klachten zijn zeer variabel. Sommige katten hebben milde en aspecifieke klachten, terwijl andere hele heftige symptomen vertonen.

Ook bij de kat gaat een schimmelinfectie gepaard met verlies van haren (ze breken af). Andere mogelijke symptomen:

  • Kaalheid, met name op kop, oren en poten
  • Afgebroken haren
  • Schilferige huid
  • Roodheid
  • Hele fijne schilfering in de vacht (‘sigaretten as’)
  • Feline Acne
  • Korstvorming

Sommige katten hebben klachten die passen bij een vlooienallergie (miliaire dermatitis: kleine korstjes) of hebben last van symmetrische alopecia. 

Korstvorming op de neus
Kleine wondjes in het aangezicht

Raspredispositie

  • Perzisch langhaar (Pers) (M. canis)
  • Jack Russel Terriër (M. gypseum via wilde knaagdieren)
  • Yorkshire Terriër (M. canis)

Daarnaast worden schimmelinfecties vaker bij zwerfkatten en jachthonden gezien.

Diagnose

Ringworm bij de hond of kat gaat niet gepaard met symptomen die alleen bij schimmelinfecties gezien worden. Zogenaamde pathognomonische huidafwijkingen ontbreken. Vandaar dat er ook gezegd wordt dat een dier pas een schimmelinfectie heeft als dit bewezen is. 

Maar hoe wordt de diagnose gesteld?

Er is geen gouden standaard test en specialisten adviseren om de diagnose met behulp van meerdere testen te stellen. In de praktijk maken de meeste dierenartsen gebruik van een schimmelkweek. Deze testen zijn mogelijk:

  • Microscopisch onderzoek van een haarpluksel (trichogram) en huidafkrabsel
  • Schimmelkweek
  • PCR schimmeltest
  • Huidbiopt(en)

Tot slot kan de dierenarts of dermatoloog de Woodse lamp gebruiken als hulpmiddel. Elk onderzoek heeft z’n nadelen. Een betrouwbare uitslag begint tevens bij representatief genomen monster en de ervaring/kennis van de dierenarts. Op de website van VdQd staat heel mooi beschreven waar het in de praktijk fout kan gaan.

Klik op onderstaande kopjes om meer te lezen.

De beste manier om materiaal te verzamelen voor microscopisch onderzoek is de combinatie van haarpluksels en afkrabsels van verdachte huidplekjes. Het vinden van schimmelharen, sporen of hyfen is niet moeilijker dan het microscopisch onderzoek van mijten, bacteriën of gisten. Het vergt echter wel ervaring en kennis van de dierenarts. Met dit onderzoek kan de dierenarts níet bepalen om welke schimmelsoort het gaat.

Door de haren en huidmonsters onder de microscoop te bekijken, kan de dierenarts (mét ervaring) schimmelsporen, hyfen of schimmelharen detecteren. Het vinden van schimmelharen is diagnostisch voor een schimmelinfectie. Samen met huidbiopten is dit enige test waarbij men direct de schimmelinfectie kan waarnemen.

Er wordt geadviseerd om de geïnfecteerde haren te gebruiken voor een schimmelkweek zodat de schimmelsoort gedetermineerd kan worden.  

Bij een schimmelkweek neemt de dierenarts ook monsters van verdachte huidplekjes (haren, schilfers, huid), het liefst aan de rand. Het verkregen materiaal wordt op een speciale groeiplaat aangebracht en kan direct in de praktijk op kweek gezet worden. De dierenarts kan er ook voor kiezen om het monster op te sturen naar een extern laboratorium. Daar zullen getrainde en ervaren laboranten de monsters ‘incuberen’ en beoordelen. 

Dit onderzoek is de enige manier om te beoordelen om welke schimmelsoort en -stam het gaat. Meestal zien we binnen 10-14 dagen groei van witte platte koloniën. Als er gebruik gemaakt wordt van een DTM (Dermatophyte Test Medium) dan hoort er ook een kleuromslag waargenomen te worden (van geel naar rood). 

Het is mogelijk dat de test geen betrouwbare uitslag geeft. De test kan vals negatief zijn als er zgn. saprofieten of andere schimmel op de plaat groeien. Zij zijn minder selectief en benutten alle voedingsstoffen uit de groeiplaat waardoor de ware dermatophyten niet zullen groeien. De test kan ook vals positief zijn. Dit heeft meestal te maken met het aflezen van de test of besmetting via objecten uit de omgeving. 

PCR onderzoek voor dermatophytoses is een relatief nieuwe testmogelijkheid. Het grootste voordeel van deze test is dat de uitslag binnen enkele dagen bekend is, in tegenstelling tot de schimmelkweek waarbij het 1-2 weken duurt. 

De PCR test bepaalt of er DNA van schimmels aanwezig is in het opgestuurde monster (meestal haren). In feite zegt de uitslag van de test niet dat de huidplekjes perse door een schimmel veroorzaakt worden. 
Veel dermatologen maken daarom nog steeds gebruik van een schimmelkweek i.c.m. microscopisch onderzoek. 

Het nemen van huidbiopten voor de diagnose van een schimmelinfectie is bij meeste gevallen niet nodig. Het diagnosticeren van een schimmelinfectie via een huidbiopt gebeurt vaak bij ongewone of zeldzame infecties. 

Hoe zit het dan met de Woodse lamp?
Op het jaarlijkse Europese dermatologie congres (’19) heeft dermatoloog en schimmelexpert Moriello uitgelegd hoe deze lamp werkt en dat het als hulpmiddel gebruikt kan worden. De nadruk in diverse lezingen lag op het feit dat het géén diagnostische test is en dus niet gebruikt kan worden om de diagnose te stellen.

De Woodse lamp is niet perse hetzelfde als een gewone UV lamp of ‘blacklight’. Om een dergelijke lamp voor medische doeleinden te gebruiken, moet de lamp aan een aantal ‘eisen’ voldoen: golflengte van de UV stralen moet tussen de 320 en 400 nm liggen, de lamp moet zonder batterijen functioneren (op stroom) en bij voorkeur een vergrootglas hebben. 

Het onderzoek moet plaatsvinden in een donkere kamer en de Woodse lamp moet dicht op de huid gehouden worden voor een betrouwbare uitslag. Niet alle schimmelsoorten fluoresceren met de Woodse lamp. Als het dier een Microsporum canis infectie heeft dan kleuren de haren appeltjes groen (fluoresceren). Bij onbehandelde dieren kleuren de haren in 90% van de gevallen op.
Maar er zijn meer dingen die fluoresceren, denk aan korstjes en schilfers, zalfjes, talg. Het is dus belangrijk dat de onderzoeker (vaak een dierenarts) weet waar hij/zij naar moet kijken en wanneer de Woodse lamp werkelijk positief is. De fluorescerende haren kunnen gebruikt worden voor een schimmelkweek en microscopisch onderzoek. Pas bij het zien van sporen, hyfen of schimmelharen én een positieve schimmelkweek is de diagnose dermatophytose gesteld. 

Behandeling

De behandeling van schimmelinfecties is een nachtmerrie voor elke dierenarts, dierprofessional en diereigenaar. Bij mensen is een schimmelinfectie in meeste gevallen met een antischimmelzalf te genezen. Bij dieren, met name katten, is dat een ander verhaal.

De behandeling is dan ook multimodaal en bestaat o.a. uit ‘quarantaine’, schoonmaken, lokale behandeling, systemische behandeling en monitoring. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorontsteking: PPSP systeem

Oorontsteking: topje van de ijsberg

Een oorontsteking is een pijnlijke en vervelende aandoening die we regelmatig bij honden zien. Bij katten zien we minder vaak oorproblemen. Dieren met een oorontsteking hebben vaak pijn en schudden met de kop of klapperen met de oren. De oorschelp en gehoorgang kan rood of ontstoken zijn en de oren zijn vaak vies (oorsmeer of pus). Als er een bijkomende infectie met gisten of bacteriën aanwezig is, dan stinkt het oor(smeer) meestal. 

Voor veel mensen lijkt een oorontsteking een simpel probleem: ontsteking of infectie → zalfje → probleem opgelost. Echter is niets minder waar, het is het topje van de ijsberg. Bij terugkerende of chronische oorontstekingen is er áltijd een onderliggend probleem. In het artikel Oorontsteking bij de hond kun je meer lezen over symptomen, oorzaken, bijkomende infecties en plan van aanpak bij chronische oorproblemen.

Om het probleem goed in kaart te brengen, wordt er al jaren geadviseerd om via het PPSP systeem te werken. Ook zijn er een aantal stappen die doorlopen moeten worden:

Stap 1: Anamnese + Signalement
Stap 2: Lichamelijk onderzoek
Stap 3: Cytologisch onderzoek
Stap 4: Behandeling van de ontsteking en eventuele infectie
Stap 5: Onderliggende oorzaak onderzoeken 

Het PPSP systeem is niet bij alle dierenartsen bekend maar staat wel in de KNMvD Richtlijn Otitis Externa bij hond en kat beschreven. Ook op nascholingen wordt er steeds meer aandacht aan dit systeem besteedt. 

Belangrijke factoren

Om een hond met terugkerende of chronische oorproblemen goed te kunnen behandelen is het noodzakelijk om het probleem zorgvuldig en systematisch in kaart te brengen. Dit doen we door middel van het PPSP systeem. Bij elke hond beoordelen we welke factoren aanwezig zijn. Bij de behandeling zullen we dan al deze factoren moeten behandelen. Een simpele behandeling met oorzalf is meestal niet afdoende.

Lees hieronder meer over de afzonderlijke factoren. 

Predisponerende factoren zijn factoren die het oor gevoeliger maken voor ontsteking (dankzij primaire factoren). Op zichzelf veroorzaken zij géén ontsteking. 

– Anatomie

  • Haren in de gehoorgang
  • Vernauwde gehoorgang (Shar-pei, Chow Chow, brachycephale rassen zoals Engelse bulldog)
  • Hangende oren
  • Harige binnenzijde oorschelp (Cocker Spaniël)

– Temperatuur en luchtvochtigheid

  • Omgeving (warmte en hoge luchtvochtigheid)
  • Regen of zwemmen

Primaire oorzaken zijn factoren die direct een oorontsteking veroorzaken (in gezonde oren).

  • Parasieten (mijten)
  • Allergieën (voedsel, omgeving)
  • Vreemd voorwerp (grasaar)
  • Hormonale problemen (te trage schildklier, Cushing, verstoring van geslachtshormonen)
  • Auto-immuun ziektes (pemphigus foliaceus, lupus erythematosus)
  • Keratinisatie- of talgklierstoornissen (primaire seborroe, sebaceous adenitis)
  • Obstructieve problemen (poliep of tumor)

Secundaire factoren zijn factoren die in een niet-gezonde gehoorgang de klachten (ontsteking) kunnen verergeren. In de praktijk ligt de focus meestal op het wegnemen van secundaire factoren. Ook deze factoren veroorzaken in de regel géén klachten bij gezonde dieren.

  • Infecties
    Bacteriën of gisten. 
  • Reactie op ‘medicatie’
    Irriteren de ontstoken huid; bv. alcohol, zure middelen (lage pH), propyleenglycol
  • ‘Overcleaning’
    De huid blijft te vochtig en verweekt. De gehoorgang kan beschadigd raken door wattenstaafjes of onkundig handelen (trauma). 

Perpetuating ofwel bestendigende factoren zijn factoren die de ontsteking in stand houden en/of verergeren en genezing voorkomen. We zien deze factoren bij chronische oorontstekingen. Zonder onderliggende oorzaak zijn deze factoren ook niet aanwezig. 

Door de chronische ontsteking veranderen de volgende aspecten:

  • Bovenste laag van de huid (epitheel)
  • Gehoorgang
  • Trommelvlies
  • Klieren

Wat zien we in de praktijk?
Als gevolg van de ontsteking zullen de opperhuid en lederhuid dikker worden en het zelfreinigende mechanisme verstoord raken. Hierdoor wordt er meer oorsmeer geproduceerd en ontstaat er een ophoping van vuil en oorsmeer in de horizontale en verticale gehoorgang. Als gevolg van blijvende of herhaalde toediening van medicatie kan er een contactallergie of -dermatitis ontstaan (zie ook secundaire factoren). 

Niet alleen is de huid ontstoken maar ook de cerumen- en talgklieren en haarzakjes gaan mee doen. Hierdoor verergeren de klachten en wordt genezing bemoeilijkt. Door de chronische ontsteking wordt de diameter van de gehoorgang steeds smaller waardoor de situatie alleen maar erger wordt. Bij veel honden met een chronische oorontsteking raakt het trommelvlies beschadigd of geperforeerd. Een middenoorontsteking zien we dan ook bij een relatief groot percentage van de honden met een chronische oorontsteking.

Door de verkalking en verbening van het kraakbeen en gehoorgang an sich heeft het dier continu pijn. Dit is het eindstadium van een chronische oorontsteking. Vaak zit er in dat stadium niets meer op dan de gehele gehoorgang operatief te verwijderen. 

Wat te doen bij een chronische oorontsteking?

Bij terugkerende oorproblemen of niet-genezende oorontsteking is het verstandig om het probleem goed aan te pakken. Ik zie regelmatig dat er geen écht plan is en dat de focus op het behandelen van de infectie (secundaire factor) ligt terwijl het probleem dus veel complexer is. 

Vraag de dierenarts om advies zodat het onderliggende probleem (primaire factor of oorzaak) achterhaald kan worden. Kom je er bij de dierenarts niet uit? Vraag dan verwijzing naar een dermatoloog

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Huidplekjes en jeuk aan de kop

Huidaandoeningen van de kop

Katten met huidproblemen hebben regelmatig huidplekjes of jeuk aan de kop. De plekjes en jeuk kunnen zich beperken tot het aangezicht of de oren maar ook uitbreiden naar hals of nek. Er zijn vele ziekten bij de kat die jeuk en huidafwijkingen aan de kop geven.
Mogelijke oorzaken:
1. Virussen
2. Bacteriën
3. Schimmels en gisten
4. Parasieten
5. Allergieën
6. Auto-immuun of immuun gemedieerde aandoeningen
7. Zeldzame aandoeningen
8. Tumoren
9. Uitingen van inwendige ziekte
10. Gedragsgerelateerde problemen
11. Trauma

Virussen

  • Herpes virus (onderdeel van niesziekte)
  • Koepokken virus
  • Papilloma virus

Bacteriën

  • Acne
  • Abces door een bijt- of krabwond
  • Bacteriële ontsteking (van de haarzakjes)

Feline Acne is een veel voorkomend probleem bij katten maar meestal hebben ze hier geen last van. 

Schimmels en gisten

  • Microsporum canis (schimmel)
  • Malassezia dermatitis (gisteninfectie)
  • Cryptococcus infectie (schimmel)

Parasieten

  • Oormijten
  • Schurftmijten
  • Vachtmijten
  • Demodex mijten
  • Oogstmijten (Trombicula autumnalis)
  • Leishmania (komt niet voor in Nederland)

Allergieën

  • Voedselovergevoeligheid
  • Feline Atopie Syndroom (non flea, non food hypersensitivity)
  • Muggenbeetovergevoeligheid
  • Contactallergie

Onderdeel van de allergieën zijn ook het indolent ulcer en eosinofiel granuloom (complex)

Auto-immuun & immuungemedieerde aandoeningen

  • Reactie op bepaalde medicijnen ('cutaneous drug reaction')
  • Pemphigus varianten
  • Vasculitis
  • Lupus varianten

Huidtumoren

  • Plaveiselcelcarcinoom (squamous cell caricnoma, SCC)
  • Basaalcel tumor
  • Fibrosarcoom
  • Lymfoom (epitheliotroop lymfoom, T-cel lymfoom)
  • Mastcel tumor

Door naar de huid te kijken kunnen we vaak een ontsteking en een tumor niet van elkaar onderscheiden. Er is aanvullend onderzoek nodig om uiteindelijk te diagnose te stellen. In meeste gevallen zal de dierenarts huidbiopten moeten nemen. Katten moeten voor dit onderzoek onder narcose gebracht worden. De huidbiopten worden naar een extern laboratorium gestuurd zodat een patholoog er naar kan kijken.

Uitingen van inwendige ziekte

  • Paraneoplastisch syndroom

Plekjes of jeuk aan de kop kunnen ook een uiting zijn van inwendige ziekte. Vaak treden deze klachten op in het kader van ‘paraneoplastische syndromen’. Dit zijn verschijnselen die niet direct door ingroei of massa werking van de tumor worden veroorzaakt. De tumor geeft stofjes af die voor ontsteking, kaalheid of jeuk zorgen. Voorbeelden zijn kaalheid door een alvleeskliertumor, ‘paraneoplastisch exfoliatieve dermatitis’ of exfoliatieve thymoom bij de kat.

Over het algemeen hebben katten met huidproblemen door inwendige ziekte ook nog andere klachten. Denk hierbij aan vermageren, slecht verzorgde vacht, afwijkende geur, slechte eetlust/stoppen met eten, afwijkend gedrag, ernstige ziekte, veel drinken of plassen, etc.

'Trauma'

  • Krab- of bijtwonden (zonder abcesvorming)
  • Ontsteking door hitte (verbranding)
  • 'Frostbite' (ontsteking door kou)
  • Contact dermatitis (na aanraking van irriterende stoffen)
© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door Dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding:
– A Practical Guide to Feline Dermatology van É. Guaguère en P. Prélaud (vertaald door M. Craig)(1999)

Het afweersysteem en atopie

Atopie

Atopie beschrijft bij de mens een aantal aandoeningen waarbij het immuunsysteem overdreven reageert op stofjes die niet schadelijk voor het lichaam zijn (zoals pollen en huisstofmijten). Mensen met atopie hebben een aanleg voor het ontwikkelen van eczeem, astma of hooikoorts. De overdreven reactie van het afweersysteem noemen we een allergische reactie en ontstaat na blootstelling aan allergenen via de huid of na inademing. Bij dieren spreken we vaak van een omgevingsallergie in plaats van atopie. Veel mensen noemen het voor het gemak “hooikoorts” maar eigenlijk is dit geen terechte benaming.

Atopie bij honden is vergelijkbaar met atopie bij mensen. Bij atopische honden zien we voornamelijk huidklachten met jeuk en bijkomende huidinfecties. Atopie komt ook bij katten voor, zij hebben net zoals de hond vooral last van huid- en jeuk klachten. Echter zijn er ook veel katten met allergische astma.

Pas in de jaren 70 zijn we steeds meer te weten gekomen over atopie bij de hond. Onze kennis over allergische huidklachten bij de kat is nog steeds beperkt.   

Atopie is een complexe huidaandoening die ontstaat door meerdere factoren. In essentie zien we een ontregeling van de afweerreactie, allergische sensibilisatie, een defecte huidbarrière, microbiële kolonisatie en invloed van omgevingsfactoren. In dit artikel zal ik de ontregeling van het afweersysteem toelichten.

Het afweersysteem

Het afweersysteem wordt ook wel ‘de weerstand’ of het immuunsysteem genoemd. De primaire taak van dit systeem is het lichaam verdedigen tegen mogelijke bedreigingen. Indringers zijn bijvoorbeeld potentiële ziekteverwekkende micro-organismen (bacteriën, gisten, schimmels) en virussen. Het afweersysteem ruimt ook afvalstoffen en zieke lichaamscellen (zoals kankercellen) op. Maar ook bij trauma (het stoten van je knie of verzwikken van je enkel), wondgenezing en operaties of andere ‘onnatuurlijke’ ingrepen komt de afweer de hoek om kijken.

Niet elke indringer lokt eenzelfde type afweerreactie uit. Het immuunsysteem kan tijdens het bestrijden van de indringer(s) schade toebrengen aan het lichaam. Deze schade moet beperkt worden, ofwel er moet een balans zijn!
De balans tussen bescherming van het lichaam en door de afweer veroorzaakte schade kan verstoord zijn door ziekte, tumoren, een allergie of auto-immuun probleem. Bij auto-immuunaandoeningen werkt de afweer verkeerd en allergische dieren hebben een te sterke afweerreactie (schiet z’n doel voorbij).

In het onderstaande filmpje wordt de afweerreactie en werking van het afweersysteem toegelicht. Het filmpje gaat dan wel over chronische darmziekte bij de mens maar is vergelijkbaar bij huid- en darmproblemen bij honden en katten!

Componenten van het afweersysteem

Het immuunsysteem is niet één ding. Het afweersysteem bestaat uit meerdere componenten en ‘subdivisies’. We maken in ieder geval een onderverdeling tussen de aangeboren en verkregen afweer.

Aangeboren afweer

De aangeboren afweer wordt ook wel de ‘niet-specifieke afweer’ genoemd. Dieren worden er mee geboren: het is een snelle respons van het lichaam tegen potentiële gevaren. Máár de reactie is niet specifiek of nauwkeurig. Het lichaam herkent de ziekteverwekkers met een kleine hoeveelheid antennes (receptoren) maar de eerste afweerreactie is niet specifiek tegen één ziekteverwekker gericht en slaagt er daarom niet altijd in om de ziekteverwekker te elimineren. Vaak remt de eerste afweer de mogelijke ziekteverwekkers zodat het verkregen afweersysteem vervolgens in actie kan komen.

De niet-specifieke afweer omvat de eerste en tweede verdedigingslinie. De eerste verdediging bestaat uit diverse (fysieke) barrières en afweermechanismen zoals niezen of hoesten. Bij een barrière kun je denken aan de vacht, de huid en huidbarrière, traanvocht en maagzuur. 
De tweede lijn van de verdediging is een ‘ingebakken’ systeem dat ervoor zorgt dat het afweersysteem snel kan reageren op bacteriën en virussen die het lichaam binnendringen. Binnen de tweede verdedigingslinie bestaan er meerdere manieren om af te weren: fagocytose (witte bloedcellen kunnen ziekteverwekkers ‘opeten’), anti-microbiële peptiden (eiwitten die tegen bacteriën werken) en natural killer cellen (NK-cellen). De ontstekingsreactie van witte bloedcellen is één van de belangrijkste onderdelen.

Verkregen afweer

De verkregen afweer ontwikkelt zich in een later stadium gedurende het leven. Dit deel van het immuunsysteem bestaat uit een cellulaire en humorale respons. De verkregen afweer wordt ook wel ‘verworven’ of ‘specifieke afweer’ genoemd.

De reacties van dit deel van de afweer zijn specifiek gericht tegen bepaalde ziekteverwekkers. Het lichaam komt bijvoorbeeld in aanraking met het parvovirus (hond) of calicivirus (kat) en door een cascade aan reacties maakt het lichaam antilichamen tegen deze virussen aan. Bij herhaalde blootstelling is de afweer dan in staat om sneller en heviger te reageren (‘afweer opbouwen’ door middel van geheugencellen).

De cellulaire respons is gericht tegen geïnfecteerde lichaamscellen. De humorale respons is gericht tegen ‘antigenen’ door de productie van antilichamen.
Lymfocyten zijn een belangrijk onderdeel van het verworven immuunsysteem. Het zijn speciale witte bloedcellen die het lichaam verdedigen. Er bestaan meerdere soorten met elk een eigen specifieke functie (bv. T-cellen en B-cellen). Met name de T-lymfocyten (T-cellen) spelen een grote rol bij problemen met de afweer (atopie, demodicosis).

Waar gaat het bij een allergie mis?

Bij allergische dieren maakt het afweersysteem van een mug een olifant én functioneren niet alle onderdelen van het gehele afweersysteem naar behoren. 

Huidbarrière

De huidbarrière bestaat uit meerdere onderdelen waarbij de vetlaag tussen de huidcellen een groot aandeel heeft. Voor het gemak wordt de huidbarrière vaak vergeleken met een bakstenen muur met cement. De bakstenen zijn de huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) en het cement is de vetlaag ertussen. De combinatie zorgt ervoor dat ziekteverwekkers en andere indringers de huid niet kunnen penetreren en vocht niet kan uittreden (voorkomt uitdroging van de huid). Het is een waterafstotende en goed afsluitbare barrière. 

Bij honden met atopie, en waarschijnlijk ook katten, is de bakstenen muur met cement niet goed gevormd. Vocht treedt uit en allergenen dringen de huid binnen. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd op 19 juli 2017

Parasieten van de huid – konijn

Ectoparasieten bij het konijn

Konijnen met huidproblemen hebben vaak last van parasieten of schimmels. Op deze pagina lees je meer over ectoparasieten die bij het konijn voorkomen. Ectoparasieten zijn parasieten die óp de gastheer (het konijn) leven. 

Vachtmijten

Eén van de meest voorkomende parasieten bij konijnen zijn vachtmijten. Het zijn niet-gravende mijten die nét met het blote oog zichtbaar zijn. In het Engels spreken ze ook wel van ‘walking dandruff’ ofwel wandelende roos. Als je een konijn met vachtmijten goed bekijkt dan kun je de mijten zien lopen als kleine huidschilfers (witte stipjes), zeker als je een vergrootglas gebruikt. 

Cheyletiella parasitovorax

Cheyletiella mijten komen bij veel diersoorten voor (o.a. hond, kat). De vachtmijt bij het konijn heet Cheyletiella parasitovorax. Ze veroorzaken milde jeuk, veel schilfers en soms kale plekken. Veel gezonde konijnen dragen aan aantal mijten bij zich maar vertonen geen klachten. Mensen kunnen ook huidklachten door deze mijt ontwikkelen maar de mijt kan niet op ons voortplanten. Als het konijn behandeld wordt, zullen de huidklachten van de mensen vanzelf overgaan.

Levenscyclus
De volwassen vrouwelijke mijten leggen eitjes op het dier. De eitjes zitten vast aan de haren en kunnen zo in de omgeving terechtkomen. De eitjes ontwikkelen zich tot nimfen en uiteindelijk volwassen mijten. De gehele levenscyclus is binnen 14-21 dagen voltooid (van ei tot volwassen mijt). Volwassen vrouwtjes kunnen tot 10 dagen in de omgeving (buiten de gastheer) overleven. 

Symptomen
Het meest kenmerkende van deze mijt zijn de grote witte schilfers. Meestal heeft het konijn er weinig last van. Soms zien we korstjes en milde jeuk op de rug. Bij heftige besmetting hebben de konijnen meer jeuk en zien we ook kale plekken.

Diagnose
Aan de hand van de symptomen en microscopisch onderzoek is de diagnose veelal makkelijk te stellen.

Behandeling
Er zijn meerdere producten op de markt om de mijten te doden. Vachtmijten zijn goed te bestrijden met pipetjes met selamectine (Stronghold®*). Eenmalige toediening is vanwege de levenscyclus van de mijt vaak niet voldoende. Het advies is om tenminste twee keer alle konijnen met een pipetje te behandelen (met 14 dagen tussentijd, off-label gebruik).

*LET OP: Stronghold® is niet geregistreerd voor het gebruik bij konijnen. Het is echter een veilig en effectief middel mits in de juiste dosering toegediend. Toediening van dit middel bij konijnen (en cavia’s) gaat volgens het lichaamsgewicht. Wilt u weten welke dosering geschikt is voor uw konijn, neem dan contact op met uw dierenarts. 

Listrophorus gibbus

Een andere vachtmijt bij het konijn is Listrophorus (Leparacarus) gibbus. Het is eveneens een niet-gravende mijt. Meestal veroorzaakt deze mijt geen ziekte, ook al zijn ze in grote aantallen aanwezig.

Bij zwakke konijnen met een verminderde afweer of veel stress kunnen er huidproblemen ontstaan. De mijt veroorzaakt dan een vochtige kale huidontsteking. De symptomen zien we vooral op de rug, ‘schaamstreek’, buik en staart.

De behandeling is hetzelfde als voor Cheyletiella. Deze mijt is echter niet overdraagbaar op mensen.

20171020_160040
L. gibbus vachtmijten
facebook foto vachtmijt
Konijn met schilfers op de rug

Oormijten

Oormijten zijn spinachtige parasieten die in de buitenste gehoorgang van dieren kunnen leven. 

Psoroptes cuniculi

P. cuniculi is de oormijt van het konijn. Het is net zoals Cheyletiella en L. gibbus een niet-gravende mijt. Ze kunnen voor intense irritatie zorgen!

Levenscyclus
De levenscyclus is voltooid in 3 weken (van eitje tot volwassen mijt).  De volwassen mijt kan ook gedurende 3 weken in de omgeving overleven. Het is daarom bij de behandeling ook noodzakelijk om het hok en de omgeving mee te behandelen.

Symptomen
Belangrijke klachten zijn schudden met de kop, krabben aan de oren en rode of ontstoken huid. Kenmerkend is de productie van wondvocht (exsudaat), dit droogt vervolgens op waarbij er dikke korsten gevormd worden. De korsten vullen de buitenste gehoorgang en zijn een ideale voedingsbron voor (jonge) oormijten. 

Bij heftige infecties kunnen de huidontstekingen zich uitbreiden naar het gezicht en de nek. Als het trommelvlies scheurt kan er een etterige middenoorontsteking (bijkomendee bacteriële ontsteking) ontstaan en soms zelfs een hersenvliesontsteking.

Diagnose
De mijten zijn zichtbaar bij inspectie van de gehoorgang met een otoscoop. De dierenarts kan ook wat oorsmeer uitstrijken op een objectglaasje en onder de microscoop mijten en eitjes waarnemen.

Behandeling
Er zijn meerdere behandelingen mogelijk waarbij de meeste enkele keren herhaald moeten worden. 
Over het algemeen wordt er gekozen voor injectie met ivermectine (bij de dierenarts) of pipetten voor op de huid (Stronghold® of Advocate®). Als er een bacteriële infectie aanwezig is, zal deze met een antibiotica zalf behandeld moeten worden. Het is echter ook mogelijk om de infectei te behandelen met speciale honing oordruppels (Dermiel®). Bij heftige klachten en ontsteking kan er zelfs voor behandeling met corticosteroïden (zalf) gekozen worden. 

Alle dieren die in contact kunnen komen met het konijn (én de omgeving) moeten ook behandeld worden.
Milde mijtinfecties kunnen ook lokaal behandeld worden met een oorzalf met mijt-dodende eigenschappen (geregistreerd voor de kat).

Nadat de mijten gedood worden door de behandeling zal er minder wondvocht gemaakt worden en zullen de korsten uiteindelijk verdwijnen. Als er gekozen wordt om de korsten te verwijderen dan wordt aangeraden om de huid en korsten te verzachten alvorens ze te verwijderen. Dit kan bijvoorbeeld met mineraalolie. Het verwijderen van de korsten is erg pijnlijk en kan de gehoorgang en huid behoorlijk beschadigen!

1193369-orig_orig copyright NCVP
© National Center for Veterinary Parasitology

Vlooien

Honden, katten en mensen hebben een eigen vlooiensoort. Ook konijnen hebben er één: Spilopsyllus cuniculi. De konijnenvlo komt echter niet vaak voor bij konijnen die als huisdier gehouden worden.

Spilopsyllus cuniculi

De konijnenvlo is een belangrijke vector voor myxomatose. Een vector is een organisme dat ziekteverwekkers kan overdragen. Een besmette vlo kan via de bloedmaaltijd het virus aan konijnen doorgeven.

Konijnen kunnen ook een vlooienbesmetting oplopen via de kat of hond. De kattenvlo (C. felis) komt bij beide diersoorten voor en kan ook bij konijnen overlast veroorzaken.

Levenscyclus
Net zoals andere vlooien kent de konijnenvlo meerdere levensstadia: ei, larve, cocon, volwassen vlo. De konijnenvlo heeft echter een bijzondere levenscyclus. De voortplanting van de vlooien wordt bepaald door de voortplantingscyclus van het konijn. Vrouwelijke vlooien kunnen namelijk bij zwangere voedsters merken wanneer zij bijna moeten bevallen (ze worden aangetrokken door veranderingen in de hormoonspiegels van de voedster). Op dat moment paren de volwassen vlooien en legt het vrouwtje vele eitjes. De vlooien voeden zich vnl. met bloed van de pasgeboren konijntjes.

Volwassen vlooien die net uit hun cocon komen, moeten binnen 1 week hun eerste bloedmaaltijd nuttigen. Daarna kunnen ze enkele maanden overleven. De optimale temperatuur  om voort te planten ligt tussen de 21 en 30 graden Celsius. 

Symptomen
De konijnenvlo zit graag rondom de oren, meestal bij de basis of aan de oorranden. Ze kunnen op en rondom het konijn leven. De kattenvlo wordt met name op de lage rug en bij de staart gevonden. Zij leven óp het konijn en in principe niet in de omgeving. 

Een konijn met vlooien heeft last van (erge) jeuk, rode plekjes en haaruitval. Op het dier kunnen vlooienpoepjes als zwarte puntjes in de vacht waargenomen worden.

Diagnose
Klinische symptomen in combinatie met het vinden van vlooien en/of vlooienpoepjes is voldoende om de diagnose te stellen. Bij passende klachten zonder aanwijzingen voor vlooien is diagnostische behandeling geïndiceerd.

Behandeling
De behandeling van konijnen met vlooien is hetzelfde als bij andere diersoorten. Hokgenoten en de omgeving moeten ook behandeld worden. Er zijn echter geen diergeneesmiddelen of producten werkzaam tegen vlooien voor konijnen geregistreerd. Imidacloprid en selamectine zijn veilige werkzame stoffen, vraag de dierenarts om advies. Gebruik NOOIT producten met fipronil (Frontline®) bij konijnen! 

Lukt het niet om de vlooien weg te krijgen? Neem dan contact op voor aanvullend advies. 

© John Benson (Flickr)
© John Benson (bron: Flickr)

Andere parasieten van de huid

Naast vachtmijten, oormijten en vlooien kunnen er nog meer ectoparasieten bij het konijn gevonden worden. Ze komen niet vaak voor en zijn doorgaans goed te behandelen met ivermectine injecties of spot-on therapie. 

Demodex cuniculi

Huidproblemen met demodex mijten komen bij honden regelmatig voor. Bij konijnen is deze mijt zeldzaam, al zijn er aanwijzingen dat deze mijt tot de normale huidflora behoort. D. cuniculi leeft in de haarzakjes en opperhuid. Over het algemeen hebben konijnen géén klinische symptomen. Kaalheid en variabele jeuk worden het meest gezien. Demodex mijten zijn bij honden niet besmettelijk, bij katten en konijnen komen wel overdraagbare vormen voor. 

Schurftmijten

Sarcoptes scabiei var cuniculi en Notoedres cati var cuniculi zijn twee soorten schurfmijten die bij het konijn kunnen voorkomen. Hoewel ook deze mijten ook vrij zeldzaam zijn, kan schurft bij het konijn weleens voorkomen. 

Konijnen met schurft hebben jeuk, kale plekken en huidontstekingen met korstjes. 

Op de website van Dierenkliniek Wilhelminapark kun je meer lezen over schurft bij het konijn.

Luizen

Gelukkig komen ook deze parasieten niet vaak voor bij konijnen. De konijnenluis, Haemodipsus ventricosus, veroorzaakt jeuk en bij heftige infestaties bloedarmoede. De luizen zijn met het blote oog te zien. 

Teken

Er bestaan veel soorten teken waarbij de ‘konijnenteek’ gelukkig niet in Europa gevonden wordt. Haemaphysalis leporis-palustris komt met name in Noord- en Zuid-Amerika voor. Ook bij konijnen kunnen teken ziektes overbrengen, zoals myxomatose en het papillomavirus.

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Kleurmutant alopecia

Color dilution alopecia (CDA)

Kleurmutant alopecia (Color dilution alopecia, CDA) is een huidaandoening die we uitsluitend bij rassen met verdunde kleuren zien. Verdunde kleuren zijn blauw, champagne, charcoal, zilver en fawn (licht geel/bruin). 

Honden met CDA ontwikkelen op den duur kaalheid zonder jeuk en kunnen ten onrechte gediagnosticeerd worden met hormonale kaalheid.

Black Hair Follicle Dysplasia (BHFD)

Kleurmutant alopecia komt dus alleen voor bij honden met een bepaalde vachtkleur. Bij honden met een zwarte vacht zien we echter een vergelijkbare aandoening: Black Hair Follicle Dysplasia

Follicle betekent haarzakje (follikel) en dysplasie verwijst naar een afwijking in de vorm. BHFD veroorzaakt klachten van de zwarte haren doordat er iets mis gaat in de haarzakjes. 

Pigment en verdunde kleuren

Er zijn bepaalde cellen in het lichaam die voor de productie van pigment zorgen, de melanocyten. Pigment wordt ook wel melanine genoemd, niet verwarren met het hormoon melatonine.

Melanine geeft de kleur aan de huid en haren. Er zijn twee pigmentsoorten: eumelanine geeft een zwarte of bruine kleur en pheomelanine een rode-gele kleur. Witte dieren missen pigment. Vachtkleur en variaties hierin worden bepaald door veel erfelijke factoren en genen.

De verdunde kleuren, blue en fawn, zijn het gevolg van het verdunningsgen (MPLH gen). Dit gen verdunt alle kleuren en wordt ook wel D-locus genoemd. Het MPLH gen is verantwoordelijk voor de sterkte van de vachtkleur en bepaalt de verdeling van de cellen die melanine bevatten.

Op de website van Combibreed kun je meer lezen over vachtkleuren en variaties hierin. 

Hoe ontstaan de klachten?

Bij honden met kleurmutant alopecia en BHFD gaat het mis bij de aanmaak van melanine (pigment). Ook het transport en opslag van melanine is afwijkend.

Het gevolg is dat er zgn. ‘macromelanosomen’ gevormd worden. Er worden ook giftige stofjes geproduceerd die de haarschacht beschadigen. Macromelanosomen zijn bij elkaar geklonterde melanosomen; een melanosoom is het deel van de cel waar de aanmaak, opslag en transport van melanine plaatsvindt.

In principe hebben alle blauwe haren bij elkaar geklonterde melanosomen, als ze dit niet zouden hebben zouden de haren namelijk zwart zijn. Het aantonen van deze macromelanosomen betekent niet per definitie dat de hond CDA heeft. Normale haren kunnen ook groepjes melanosomen hebben. Zo heeft bijvoorbeeld elke Weimaraner macromelanosomen.

Bij kleurmutant alopecia zorgen macromelanosomen voor de verwoesting van het buitenste laagje van de haren (de cuticula). Dat is kenmerkend voor kleurmutant alopecia en zorgt ervoor dat de haren afbreken. In het begin lijkt de vacht dunner behaard en later kan er complete kaalheid (alopecia) ontstaan.

Symptomen

De eerste symptomen van klassieke CDA zien we bij jong en jong-volwassen honden, vaak zijn de honden jonger dan één jaar. Naarmate ze ouder worden zullen de klachten meestal verergeren.

Meest voorkomende symptomen zijn:

  • kaalheid
  • slechte vachtconditie (doffe vacht)
  • droge of schilferige huid

Een andere veel voorkomende klacht is het ontstaan van een bacteriële huidinfectie. De haren vallen dan in rap tempo uit door de ontsteking en infectie van de haarzakjes. De hond kan ook last hebben van rode pukkeltjes en jeuk of een toename van schilfers. Soms zien we mee-eters (comedones).

Slechte vachtconditie, mee-eters en dunne vacht
Chihuahua met verdunde vachtkleur

Raspredispositie

Enkele rassen zoals de Dobermann, Dashond (teckel), Duitse Dog, Whippet en windhond maar ook de Ierse Setter zijn gepredisponeerd. In de praktijk zien we ook veel Chihuahua’s en Yorkshire terriërs met deze aandoening.
In Nederland zien we kleurmutant alopecia vaker bij:
– Berner Sennenhond
– Chihuahua
– Chow Chow
– Dashond (Teckel)
– Dobermann
– Ierse Setter
– Poedel (middenslag)
– Whippet
– Yorkshire terriër

Diagnose

De diagnose van kleurmutant alopecia stellen we op basis van de bevindingen van een trichogram en huidbiopten. Een trichogram wordt ook wel ‘haarwortelonderzoek’ genoemd. Hierbij nemen we een plukje haren en bekijken deze onder de microscoop. Het zien van een ophoping van pigment in de haren met schade aan de buitenste laag van het haar is zeer suggestief voor kleurmutant alopecia.

Het ras en de kleur van de vacht in combinatie met de klachten doet vaak al aan kleurmutant alopecia denken. Het is aan te raden om hormonale aandoeningen uit te sluiten, zeker bij twijfelgevallen.

Behandeling

Honden met CDA en BHFD kunnen we niet genezen. In principe is er ook geen behandeling noodzakelijk. Het wordt gezien als een cosmetische aandoening, d.w.z. de hond zelf heeft er geen last van maar het uiterlijk is wel aangetast.

Er bestaan tevens vrij weinig mogelijkheden om de haargroei te stimuleren. Bij andere cosmetische of kalende aandoeningen zonder jeuk is melatonine een veelgebruikte medicijn om de haargroei te bevorderen (bv. bij seizoensgebonden kaalheid). Bij kleurmutant alopecia heeft dit echter weinig zin. 

Bij honden met CDA is ondersteuning van de huid en resterende haren belangrijk. Er zijn meerdere manieren om dat te doen:

Bijkomende huidinfecties kunnen meestal met lokale behandeling verholpen worden. In enkele gevallen zal systemische behandeling met antibiotica nodig zijn. Meestal wordt er een antiseptische shampoo voorgeschreven. Tegenwoordig kunnen we huidinfecties ook behandelen met droogshampoos (mousse) of sprays. In mijn webshop kun je een overzicht van geschikte producten terugvinden. 

Een dunne vacht van mindere kwaliteit beschermt minder goed. Honden met kleurmutant alopecia zijn gevoeliger voor zonnebrand en huidkanker.

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd op 23 juli 2017

Allergie gevoelige rassen

Allergische huidklachten

Huidallergieën zien we al jarenlang regelmatig bij honden en katten. We maken hierbij een onderscheid tussen vlooienallergie, voedselgerelateerde jeuk (voedselovergevoeligheid) en omgevingsallergie (atopische dermatitis, Feline Atopie Syndroom).

 In Nederland heb ik maar weinig honden met een vlooienallergie gezien, terwijl in Amerika dat de meest voorkomende huidaandoening bij honden is.
Zo’n 10 tot 15 procent van de honden lijkt last te hebben van atopische dermatitis (omgevingsallergie). Voor voedselovergevoeligheid zijn er geen exacte getallen bekend. Het lijkt erop dat voedsel een rol speelt bij 1 tot 2 procent van de honden die bij de dierenarts komt. Bij honden met huidproblemen kan het oplopen tot 24% en van de honden met jeuk kan tot 40% een negatieve reactie op iets in de voeding laten zien.

Bij katten zien we dat veruit de meeste huidklachten en jeuk door parasieten, bv. vlooien(allergie) worden veroorzaakt. Er zijn veel minder onderzoeken over de incidentie van huidallergieën bij de katten.
Feline Atopie Syndroom (omgevingsallergie) lijkt niet vaak voor te komen bij katten; waarschijnlijk heeft maar 1% van de katten hier last van. Bij katten met jeuk en huidklachten liggen de percentages tussen de 12,5 en 30%. Voedselovergevoeligheid wordt minder vaak gezien: van de katten met huidproblemen lijkt bij 3 tot 6% voeding de oorzaak. Bij katten met jeuk heeft 12-21% last van voedselovergevoeligheid. Mijn ervaring is dat het percentage hoger ligt. Ik zie regelmatig katten met huid-, jeuk en maag-darm klachten waarbij voeding uiteindelijk voor verbetering van de klachten zorgt.

Genetische predispositie

Huidallergieën zijn complexe aandoeningen waarbij verschillende type overgevoeligheidsreacties en factoren voor klachten zorgen.

Bij honden met een omgevingsallergie weten we dat genetische aanleg een belangrijke oorzaak is voor het al dan niet ontwikkelen van klachten. Maar dit is zeker niet de enige oorzaak! 
De dermatologen van het Medisch Centrum voor Dieren hebben een stukje over erfelijkheid en atopie geschreven.

Hieronder kun je een overzicht met allergie gevoelige rassen zien.

Deze lijst is samengesteld op basis van meerdere wetenschappelijke onderzoeken (wereldwijd) en mijn ervaring als dermatologie-dierenarts. Naast de onderstaande elf hondenrassen zijn er nog veel meer rassen waarbij atopische dermatitis vaker wordt gezien. Voor voedselovergevoeligheid is er naar mijn weten geen lijst met gevoelige rassen. 
Uit de literatuur blijkt dat er drie kattenrassen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van omgevingsallergie. Deze rassen zie ik zelden in de praktijk waardoor ik niet durf te zeggen of dit klopt of niet. Daarnaast is er natuurlijk ook een verschil tussen de genenpoel in Nederland en het buitenland. Maar ook de puppyhandel/broodfok zal een grote rol spelen in de gezondheid van een ras (look-a-like versus stamboomhonden).

Kruisingen

Er wordt altijd gezegd dat kruisingen en vuilnisbakkenrassen gezonder zijn en langer leven. Als we kijken naar huidproblemen zoals omgevingsallergie dan geldt dat helaas niet voor kruisingen van allergie gevoelige rassen. Zo zien we heel veel problemen bij Boomers en Doodles (m.n. Labradoodles). 

Ook de gewone ‘Europese korthaar’ ofwel huis-tuin-keuken kat staat stipt op nummer 1 als het gaat om huidklachten zoals jeuk en allergieën (in vergelijking met andere rassen). Ik zie veel meer Europese kortharen dan raskatten (gezond of ziek). 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Huidinfecties bij de hond

Huidflora en infecties

In en op het lichaam van een hond leven micro-organismen zoals bacteriën en gisten. Alle micro-organismen bij elkaar worden het microbioom genoemd. De term huidflora verwijst naar de micro-organismen die op de huid verblijven.

Het lichaam wordt dagelijks blootgesteld aan diverse potentiële ziekteverwekkers. De huid en haren zijn de eerste afweer tegen indringers van buitenaf maar ook andere schadelijke invloeden (UV-licht, vervuiling, etc.). De huidflora is dus een belangrijk onderdeel van het afweersysteem. De normale huidbewoners zorgen er namelijk voor dat pathogene bacteriën niet kunnen koloniseren. Hierdoor wordt het dier niet ziek door een infectie.

De samenstelling van de huidflora wordt bepaald door diverse factoren zoals huidverzorging, huisvesting, zuurgraad, temperatuur maar ook risicofactoren. De meest voorkomende bacteriën die onderdeel uitmaken van de huidflora van gezonde zijn Staphylococci spp., Micrococcus spp., Streptococcus spp en Clostridium spp

Als we in de diergeneeskunde over gisten spreken dan hebben we het over Malassezia pachydermatis. Gisten zijn eencellige schimmels maar zijn, net zoals bacteriën, niet allemaal hetzelfde. Gisten komen echter niet overal op het lichaam voor en niet alle honden dragen Malassezia gisten met zich mee. Uit de literatuur blijkt dat bij ongeveer 42% van de honden Malassezia een normale huidbewoner is.

Na de geboorte ontwikkelt elke pup een eigen microbioom. Het lichaam zal ten alle tijden proberen om een goede balans te behouden. Als de balans verstoord is dan kunnen niet-huidbewoners voor klachten zorgen. We spreken van een huidinfectie als een micro-organisme de huid is binnengedrongen en zich daar vermenigvuldigd (kolonisatie). Zo’n 90% van de bacteriële huidinfecties wordt veroorzaakt door Staphylococcus Pseudintermedius bacteriën. 

Afweermechanismen van de huid

  • Vacht (dek- en wolharen)
  • Verhoorning (keratinisatie)
    Elke 21-22 dagen laat de buitenste cellaag van de opperhuid los. Alles wat daar aan vast kleeft, komt in de omgeving terecht. Zo worden oppervlakkige micro-organismen en parasieten verwijderd.
  • Hydrolipiden film / talglaag
    Het materiaal vanuit de talg- en zweetklieren heeft beschermende functie en vormt een vetlaagje op de huid en haren. Het remt ziekteverwekkende bacteriën en gisten en zorgt voor voedingsstoffen voor de normale huidbewoners. 
  • Huidbarrière (huidcellen en -vetten tussen de keratinocyten)
    De huidbarrière wordt ook wel vergeleken met een bakstenen met cement. Voorkomt binnendringen van potentiële ziekteverwekkers door een waterafstotende en goed afsluitbare opperhuid (vetlaag tussen de huidcellen = het cement). 
  • Huidflora (bacteriën en gisten)
    Remt vermenigvuldiging van niet-huidbewoners en ziekteverwekkende micro-organismen. De huidbewoners gaan actief de competitie aan. 
  • Aangeboren afweer (anti-microbiële peptiden)
    Deze peptiden (o.a. lysozyme en defensinen) hebben de eigenschap om meerdere ziekteverwekkers te kunnen doden. Ook kunnen zij het afweersysteem stimuleren.
  • Afweercellen in de huid
  • Microklimaat
    Temperatuur, zuurgraad en luchtvochtigheid

Bacteriële huidinfectie

Een bacteriële huidinfectie is een van de meest voorkomende huidaandoeningen bij honden. De infectie wordt dan ook vaak als een op zichzelf staande ziekte behandeld. Echter zullen de huidinfectie en bijkomende klachten steeds terugkeren als er niks aan de onderliggende aandoening wordt gedaan. 

Bacteriële huidinfecties bij honden kunnen we onderverdelen in drie soorten:

  • Oppervlakte pyodermie
  • Oppervlakkige pyodermie
  • Diepe pyodermie

Met pyodermie wordt een bacteriële huidontsteking bedoeld.  

Oorzaken

De meest voorkomende oorzaak van een terugkerende huidinfectie zijn allergische huidaandoeningen (omgevingsallergie, voedselovergevoeligheid). Andere oorzaken zijn hormonale problemen (hypothyreoïdie, ziekte van Cushing), verlaagde afweer door ziekte of gebruik van bepaalde medicatie (bv. prednison), andere infecties (schimmel, mijten), seborroe, keratinisatiestoornissen (ichthyosis, sebaceous adenitis), etc.
Naast deze aandoeningen kunnen honden ook een bacteriële huidontsteking krijgen doordat de huid en vacht te lang vochtig en warm zijn. Denk aan langharige honden die na het zwemmen niet goed opdrogen of honden met plooivorming. 

Mogelijke symptomen

  • Jeuk
  • Kale plekken
  • Schilfers
  • (gele) Korstjes
  • Huidwondjes en -plekjes
  • Stank/onaangename geurtjes
  • Rode huid
  • Epidermale collarettes (zie foto)
  • Zwartverkleuring van de huid
  • Vette huid en vacht

Cytologisch onderzoek

Bovenstaande symptomen zijn vrij aspecifiek. Zonder onderzoek kan de dierenarts niet met zekerheid vaststellen dat de hond last heeft van een bacteriële huidinfectie. Het is daarom erg belangrijk om bij het opwerken van huidpatiënten monstertjes van de huid te nemen voor cytologisch onderzoek.

Bij cytologisch onderzoek neemt de dierenarts met een swab, objectglaasje of plakband een monster van de huid en kleurt hij/zij deze met een speciale kleuring. Het monster kan dan onder de microscoop bekeken worden.

Behandeling

Niet elke huidinfectie wordt hetzelfde behandeld, de behandeling wordt o.a. bepaald door de diepte en ernst van de infectie en ontsteking, de klachten en de eigenaar. 

Een huidinfectie behandelen we bij voorkeur met een antimicrobiële shampoo. Het is ook mogelijk om oppervlakte en oppervlakkige huidinfecties met andere huidverzorgingsproducten te behandelen (mousse, spray, zalf/gel, speciale doekjes). Sommige honden met een oppervlakkige pyodermie moeten ook met antibiotica behandeld worden.
Diepe huidinfecties behandelen we met een lange kuur antibiotica (minimaal 3 weken) en indien mogelijk gecombineerd met lokale behandeling.

In mijn webshop kun je een overzicht van geschikte producten terugvinden. 

Malassezia dermatitis

Een huidinfectie door gisten noemen we ook wel Malassezia dermatitis. Bijna de helft van de allergische honden krijgt hier weleens last van. Dit zie ik vooral bij Shih-Tzu’s en kruisingen hiervan.

Bij sommige hondenrassen komt Malassezia dermatitis vaker voor. Denk aan de Basset, West Highland White Terriër, Duitse Herder, Cocker Spaniël, Dwergpoedel en Engelse Setter. Een aantal van deze honden, met name de Basset, heeft een genetisch defect waardoor het afweersysteem overgroei van gisten niet tegengaat.

Anatomische kenmerken en onderliggende aandoeningen lijken een belangrijke rol te spelen. Huidplooien en plekken op het lichaam met weinig ventilatie (tussen de teentjes, harige of nauwe gehoorgang) creëren een ideale omgeving voor gisten. Temperatuur en luchtvochtigheid zijn essentiële parameters voor vermenigvuldiging van micro-organismen zoals gisten.

Oorzaken

Huidallergieën, hormonale problemen, keratinisatiestoornissen, seborroe, etc.

Symptomen

De klachten van een gisteninfectie worden vooral bepaald door de omvang en ernst van de infectie en de lokalisatie op het lichaam. Jeuk is één van de meest voorkomende symptomen. Meeste honden hebben vergelijkbare huidafwijkingen: rode huid, kaalheid, schilfers, zwartverkleuring, korstjes en verdikking van de huid (lichenificatie). Dit zijn géén ziekte-specifieke symptomen en op basis van de klachten of foto’s kan er dus geen diagnose gesteld worden.

Op plekken waar huid tegen elkaar wrijft zijn de haren vaak bij de huid tegen elkaar geplakt door een vettige afscheiding. Bij een oorontsteking door gisten is het oorsmeer bruin en vet of waxachtig. Dezelfde soort afscheiding kan ook bij de nagelriem, nagels en tussen de teentjes gezien worden. Bij Cockers en Bassets met een vochtige, rode of kale plek in de hals moet men ook aan Malassezia dermatitis denken. Honden met een gisteninfectie kunnen zoveel jeuk hebben dat ze in de trimsalon of andere plekken met voldoende afleiding toch krabben en likken. Dit zien we ook bij dieren met schurft (scabiës) en voedselovergevoeligheid.

Cytologisch onderzoek

De diagnose wordt ook bij deze infectie door middel van cytologisch onderzoek gesteld. 

Behandeling

Niet alle anti-microbiële shampoos zijn geschikt om Malassezia dermatitis te behandelen. De meest gebruikte shampoos zijn Malaseb® en Dermasezia®. Daarnaast is de Douxo PYO lijn ook effectief tegen gisten. Bij hardnekkige gistinfecties kan het nodig zijn om met orale anti-schimmel middelen te werken.

Remedy+ Yeastosol spray

Yeastosol is handige spray zonder antibiotica of hormonen. De gepatenteerde formule kan dagelijks veilig gebruikt worden bij de bestrijding van gisten.

Yeastosol dient één- tot tweemaal daags op  de plek gesprayd te worden. Meestal zijn de gisten na 14 dagen onder controle. Dit is afhankelijk van de ernst van de infectie. Yeastosol kan als onderhoud, bijvoorbeeld tweemaal per week,  veilig worden gebruikt.

Yeastosol
© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Alopecia X

Alopecia X is een verzamelnaam voor specifieke klachten van kaalheid, die we met name bij een bepaalde hondenrassen zien. Deze aandoening heeft in de loop der jaren een hoop namen gehad en staat beter bekend als:

  • Black Skin Disease (BSD)
  • Black Skin Syndrome of Pomeranians

Andere namen zijn:

  • Atypische Cushing
  • Pseudo Cushing
  • Groeihormoon responsieve alopecia
  • Castratie responsieve alopecia
  • Bijnier-geslachtshormonen onbalans
  • Folliculaire groeistoring bij wolharige honden
  • Gonadal sex hormone dermatosis
  • Huidbiopt responsieve alopecia

De specialisten hebben de voorkeur voor de naam ‘Hair Cycle Arrest’.
Er is iets wat er voor zorgt dat de haarcyclus gepauzeerd wordt. De haren groeien niet meer verder waardoor na het uitvallen van de dode haren kale plekken ontstaan. 

Alopecia betekent deels of volledig verlies van haren, die er wél horen te zijn. Er zijn immers ook kerngezonde delen van de huid die altijd kaal (neus, voetzooltjes) of dunbehaard zijn, zoals oksels en buik.

Alopecia X ofwel Hair Cycle Arrest

Alopecia X is misschien wel het meest controversiële syndroom binnen de dermatologie.  Er is nog zóveel onbekend over Alopecia X en gerelateerde aandoeningen.

De exacte oorzaak van Alopecia X is niet bekend. Het lijkt een combinatie van genetische predispositie en afwijkingen in de geslachtshormonen. We zien deze huidaandoening vaker bij dwergkeesjes (Pomeranians), Chow Chows, Siberische Husky’s, Keeshonden, Samojeeds en (dwerg)poedels.

De huidige theorie is dat de kaalheid wordt veroorzaakt door een afwijking in de haarzakjes, die wordt verergerd door geslachtshormonen. Er is geen groei van nieuwe haren, de haarcyclus lijkt gepauzeerd. De trigger ofwel oorzaak van de pauze is nog niet achterhaald. 

Symptomen

In eerste instantie vallen dekharen uit. Hierdoor gaat de algemene vachtconditie achteruit. De vacht is meestal droog, dof en kroezig. In het Engels noemen ze dat ook wel ‘wooly coat syndrome‘.
Uiteindelijk zal de dunner wordende vacht zich uitbreiden. Wolharen zullen ook uitvallen resulterend in complete kaalheid (alopecia).

Kenmerkend is dat haren na het scheren niet terug willen groeien. Na het nemen van biopten of huidafkrabsels of een bacteriële ontsteking kunnen haren ‘ineens’ terugkomen. Meestal als kleine plukjes haren. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de groeifactoren die vrijkomen na trauma en schade aan de huid. 

De kaalheid wordt het vaakst bij de nek, staartbasis, broekspieren en rondom de anus gezien. Met de tijd kan ook de romp kaal worden. Zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie) wordt regelmatig gezien. Dit komt ook deels door blootstelling aan UV-licht, de beschermende vacht is immers verdwenen.

In de liezen en bij de staartbasis worden regelmatig schilfers en mee-eters gezien. 

alopecia X nek chihuahua

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van:
– signalement (ras, leeftijd, geslacht)
– anamnese (vragenlijst + ziektegeschiedenis)
– symptomen
– uitsluiten van andere aandoeningen (hypothyreoïdie, ziekte van Cushing, overmaat aan geslachtshormonen)
– weefselonderzoek (pathologie) huidbiopten
– (bloedonderzoek geslachtshormonen)  

Op basis van het ras en de symptomen kan men meestal de waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. Het advies is om andere oorzaken van kaalheid zonder jeuk  (bv. hormonen) uit te sluiten en daarna huidbiopten te nemen. De huidbiopten worden opgestuurd naar de patholoog in een extern laboratorium. De patholoog ziet een overmaat aan niet-groeiende haren (catagene haren), atrofie van de huid en hormonale kenmerken zoals zgn. ‘flame follicles’. Hiermee kan men de waarschijnlijkheidsdiagnose bevestigen.

Vroeger werd er geadviseerd om niet gecastreerde teefjes en reutjes te castreren vóórdat men met het diagnostische traject ging starten. In bijna 75% van de gevallen zag men dat castratie voor teruggroei van haren zorgde. Tegenwoordig weten we beter. 

Behandeling

In principe is behandeling niet noodzakelijk omdat het een ‘cosmetische’ aandoening betreft. Dat wil zeggen dat de honden geen last hebben van de kaalheid. Dat neemt niet weg dat veel eigenaren graag zien dat hun hond weer volledig behaard wordt.

Er zijn vele behandelingsopties waaronder castratie (chirurgisch of chemisch), lysodren®, melatonine, groeihormoon, testosteron, oestrogenen, ypozane®, trilostane, cyclosporine, medroxyprogesteron, micro-needling therapie, lasertherapie en diverse huidverzorgingsproducten.

Voor alle behandelingsopties geldt dat we niet weten óf de haren terug zullen groeien. De vachtconditie en kwaliteit van de haren zullen nooit meer hetzelfde zijn als vóór het ontstaan van Alopecia X. De dekharen komen meestal niet meer terug. We zien daarnaast ook dat de ene behandeling het ene moment wél effectief is en het volgende moment niets meer doet.

Als de haarcyclus weer op gang gebracht is door de behandeling dan zullen nieuwe groeiende haren (anagene haren) weer in rustfase (telogene haren) terecht komen en hierna uitvallen. Over het algemeen zijn er geen nieuwe haren gemaakt om de oude haren te vervangen waardoor de hond opnieuw kaal wordt.

Melatonine

Melatonine lijkt bij 1/3 van de honden effect te hebben. Het is relatief veilig en makkelijk verkrijgbaar. Let wel op dat melatonine een invloed heeft op meerdere geslachtshormonen met dus eventuele (ongewenste) bijwerkingen! Start nooit een behandeling zonder overleg/controle door dierenarts. De dosering verschilt per dier maar ook per ras en grootte van de hond! In tegenstelling tot veel medicatie in de diergeneeskunde wordt de dosering melatonine NIET berekend o.b.v. mg per kilogram lichaamsgewicht.

Er wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de effectiviteit van melatonine implantaten. In Amerika worden deze al langer bij honden met diverse vormen van alopecia ingezet. Ze lijken beter te werken dan tabletten. Behandeling met een melatonine implantaat is alleen via specialisten mogelijk. 

Castratie

Naast melatonine is castratie een veel gekozen behandelingsoptie. Castratie is eigenlijk altijd het proberen waard. Er zijn onderzoeken die aantonen dat castratie bij zo’n 50% van de honden helpt. Meestal groeit de vacht deels terug. Keeshonden lijken iets minder goed te reageren op deze behandeling.

Bij teefjes is er helaas onvoldoende onderzoek gedaan naar het effect van de behandeling. We kunnen dus niets zeggen over de kans van slagen etc. Daarnaast is castratie een definitieve ingreep. Eenmaal uitgevoerd is terugdraaien niet mogelijk. 

Bij reuen zijn er meer onderzoeken gedaan naar het effect van castratie bij Alopecia X. Deze behandeling is bij mannelijke dieren ook iets makkelijker. Bij intacte reuen lijkt chemische castratie beter te werken dan chirurgische castratie (tot 80% goed effect).

Er wordt vaak gekozen voor chemische castratie met het implantaat Suprelorin®. Na 6 of 12 maanden werkt het implantaat uit (afhankelijk van de sterkte). Er is één onderzoek waarbij dit implantaat bij gesteriliseerde teefjes is toegediend (zonder resultaat).

Niet alle behandelingen zijn zonder risico’s en bijwerkingen

Uit onderzoek blijkt dat trilostane erg effectief is. Dit middel is verkrijgbaar onder de merknaam Vetoryl® en wordt gebruikt bij de behandeling van ziekte van Cushing bij honden. Trilostane blokkeert de aanmaak van cortisol, een belangrijk bijnierschorshormoon. Het geven van dit medicijn is niet zonder risico’s en bijwerkingen!

Ook Lysodren® en testosteron worden niet veel gebruikt vanwege potentiële bijwerkingen. Groeihormoon, oestrogenen en medroxyprogesteron worden zover ik weet alleen in onderzoekssetting of door specialisten gebruikt. 

© 2019 Huidadvies voor dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update juli 2019. Oorspronkelijke artikel is in 2017 gepubliceerd.

Bronvermelding:
– ESAVS Dermatology course II 2016
– BSAVA Manual of Canine and Feline Dermatology third edition 2012
– Small Animal Dermatology third edition 2011 van K.A. Hnilica