Te traag werkende schildklier: diagnose

dikke hond schildklier?

Hypothyreoïdie bij de hond

Een van de meest voorkomende hormonale aandoeningen bij de hond is hypothyreoïdie. ‘Hypo’ betekent weinig of minder dan en ‘ thyroïd’ is de medische term voor schildklier.
Bij hypothyreoïdie werkt de schildklier niet zoals het hoort en is er een tekort aan schildklierhormonen. Er wordt vaak gezegd dat de hond dan een te traag werkende schildklier heeft maar in werkelijkheid is er sprake van ernstige functieverlies tot verwoesting van de schildklier.

Oorzaak van het tekort

Bij meeste honden is er sprake van een verwoesting van de schildklier. Dit gaat gepaard met vele klachten omdat schildklierhormonen een belangrijke rol in de stofwisseling innemen.

Er zijn twee oorzaken voor de verwoesting van de schildklier. De schildklier kan door een auto-immuun reactie kapot gaan of door onbekende oorzaak, in het laatste geval noemen we het ‘idiopathisch’. Aan de buitenkant kunnen we niet zien of het om de immuungemedieerde of idiopathische variant gaat.

Bij de auto-immuun variant maakt het afweersysteem antilichamen tegen de cellen van de schildklier aan. Hierdoor raakt de schildklier ontstoken en gaat het weefsel kapot. Deze immuungemedieerde schildklieraandoening kent een genetische basis. Hypothyreoïdie komt dan ook bij bepaalde hondenrassen vaker voor. 

De schildklierpatiënt

De diagnose ‘hypothyreoïdie’ als oorzaak van huidklachten wordt in de praktijk erg vaak gesteld. Ondanks het één van de meest voorkomende hormonale problemen is, is deze aandoening in de dermatologie overgediagnosticeerd. Dat betekent dat veel honden gediagnosticeerd worden met een te traag werkende schildklier terwijl dit niet de werkelijke oorzaak van de huidklachten is.

Het verwarrende is dat veel honden met een normale schildklierfunctie alsnog verbeteren op schildkliermedicatie. Er wordt zelfs geschat dat ongeveer 60-70% van de honden die behandeld worden met schildklierhormoon géén hypothyreoïdie heeft, aldus prof. dr. Hans Kooistra.

De diagnose “Hypothyreoïdie”

Het beoordelen van de schildklierfunctie wordt meestal via een bloedonderzoek gedaan. Er zijn veel factoren die de aanwezigheid van het schildklierhormoon in het bloed beïnvloeden. Denk hierbij aan de leeftijd van de hond, het ras, lichaamsconditie, grootte van het dier, inspanning en medicijnen (bv. NSAIDs, hartmedicatie).

Ook gedurende de dag varieert de concentratie van het schildklierhormoon in het bloed. Het tijdstip van de bloedafname kan dus technisch gezien van invloed zijn.
In de praktijk betekent dit dat een hond met een gezonde schildklierfunctie op een bepaald moment van de dag een te lage schildklierwaarde kan hebben. Maar dat wil niet meteen betekenen dat de hond een te traag werkende schildklier heeft.

Totaal T4: totaal thyroxine concentratie in het bloed

Om in de praktijk te voorkomen dat er een verkeerde diagnose wordt gesteld, is het advies om de schildklierwaarde (totaal T4) alleen te bepalen bij dieren met klachten die passen bij hypothyreoïdie.

De totale thyroxine concentratie in het bloed noemen we het totaal T4. Het is een goede screening test: 90% van de honden met hypothyreoïdie heeft een lage totaal T4 waarde. Ongeveer 10% heeft een laag-normale T4 waarde.

Vrij totaal T4

De meest gevoelige en betrouwbare bloedtest om de schildklierfunctie te bepalen is het vrije totaal T4. Deze test kost iets meer geld en kan niet bij elk laboratorium uitgevoerd worden. De sensitiviteit en specificiteit van deze test liggen boven de 90% waardoor de kans op vals positieve én negatieve uitslagen klein is.

TSH waarde

In combinatie met de TSH waarde kunnen we met meer zekerheid de juiste diagnose stellen (sensitiviteit en specificiteit stijgen tot 100% bij een laag totaal T4 of vrij totaal T4).

TSH staat voor thyreoïd (=schildklier) stimulerend hormoon. Als er te weinig schildklierhormoon (T4) in het bloed circuleert dan wordt er meer TSH afgegeven in de hersenen. Dit hormoon stimuleert de schildklier om meer schildklierhormoon te produceren. Bij een te traag werkende schildklier en te weinig schildklierhormoon verwachten we dus een hoge TSH waarde.

Helaas is de TSH waarde maar bij 65-75% van de honden met hypothyreoïdie verhoogd. Dat betekent dat 25-35%  van de honden mét hypothyreoïdie een normale TSH waarde heeft.

Het advies: welke testen zijn belangrijk?

Geen enkele test is 100% betrouwbaar.

Om de schildklierfunctie te beoordelen is het combineren van testen belangrijk. En misschien is het wel het allerbelangrijkste dat het plaatje moet kloppen.
De hond moet dus klachten hebben passende bij hypothyreoïdie. Alleen op basis van een lage T4 waarde kunnen we geen diagnose stellen!

Voor het stellen van de diagnose ‘hypothyreoïdie’ is het advies om de totaal T4 waarde (en/of vrij totaal T4) te bepalen samen met de TSH waarde én deze resultaten te beoordelen op basis van de klachten van de hond.

Wanneer klopt het plaatje?

Een typische hond met hypothyreoïdie is:

  • van middelbare leeftijd (gemiddelde leeftijd = 7 jaar)
  • een rashond
  • sloom
  • sneller moe
  • te zwaar ondanks geen veranderingen in voedselpatroon

Daarnaast hebben veel honden met hypothyreoïdie:

  • kaalheid (meestal op flanken, symmetrisch aan beide kanten)
  • bijkomende huidinfecties (en daardoor jeuk)
  • seborroe (droge of juist vette vacht en huid)

Minder voorkomende symptomen:

  • teef: onvruchtbaarheid / afwijkende loopsheid
  • myxoedeem (zorgt voor ‘tragische’ gezichtsuitdrukking)
  • hart- en vaatafwijking (o.a. trage hartslag)
  • afwijkingen aan spieren en zenuwen (kreupelheid, stijfheid)
  • oorontsteking
  • gegeneraliseerde demodicosis (demodex mijten)

Hormonale kaalheid

Bij meer dan 70% van de honden met hypothyreoïdie wordt hormonale kaalheid gezien. De kaalheid kan zich op twee manieren uiten:

  • Complete kaalheid (alopecia)
  • Verminderde beharing (hypotrichosis)

Bij symmetrische kaalheid van de flanken (zowel links als rechts) denken mensen meteen aan hormonale problemen zoals hypothyreoïdie of de ziekte van Cushing. Echter begint de kaalheid meestal niet op de flanken. Veel honden ontwikkelen kale plekken of dunne beharing op plekken die blootgesteld worden aan wrijving: staart, buik, achterzijde dijen en neusrug. Pas later ontstaat de typische kaalheid op de flanken.

Maar mijn hond heeft huidklachten én een te lage schildklierwaarde ...

Het komt regelmatig voor dat honden met huidklachten gediagnosticeerd worden met hypothyreoïdie terwijl de schildklier prima functioneert. Er wordt toch een lage schildklierwaarde gemeten en met schikdkliermedicatie knapt de hond zienderogen op. 

Wat is er aan de hand?

‘Sick Euthyreoid Syndroom’ – SES

We spreken van SES als een dier ziek is en de ziekte de uitslag van de schildkliertesten beïnvloed. De ziekte heeft echter meestal geen direct effect op de schildklier.

Hoe ernstiger de ziekte, hoe groter de veranderingen van de schildklierwaarde. Het vrije totaal T4 wordt minder beïnvloed door ziekte dan de totaal T4 waarde, de TSH waarde wordt zelden beïnvloed. Een lage T4 waarde bij een ziek dier kan dus voor een onterechte diagnose ‘hypothyreoïdie’ leiden.

Conclusie

Hypothyreoïdie is één van de meest voorkomende hormonale ziektes bij honden. Helaas is het stellen van de diagnose niet zo eenvoudig als het lijkt. Veel honden worden ten onrechte met schildkliermedicatie behandeld. Om deze reden is het belangrijk dat we de juiste testen aanvragen bij de juiste patiënten. Niet elke hond met kaalheid of elke slome hond met overgewicht heeft hypothyreoïdie.

© 2020 Huidadvies voor dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorspronkelijk gepubliceerd in 2018.

Huidaandoeningen door verstoring van het afweersysteem (kat)

Auto-immuun versus 'immuungemedieerd'

De termen ‘immuungemedieerd’ en ‘auto-immuun’ worden vaak door elkaar gebruikt.

  • Immuungemedieerde aandoeningen zijn ziektes waarbij het immuunsysteem ontregeld is en niet meer goed functioneert. Meestal kunnen we hiervoor geen exacte oorzaak voor vinden.
  • Auto-immuun aandoeningen zijn specifiek gericht tegen het eigen lichaam: het afweersysteem valt eigen cellen, eiwitten of andere structuren aan. 

In dit artikel vind je een overzicht van auto-immuun en immuungemedieerde huidaandoeningen bij de kat. In vergelijking met honden is er helaas veel minder informatie beschikbaar over huidproblemen bij de kat. De informatie is gebaseerd op kleine aantallen en kleinschalige onderzoeken.

Auto-immuunaandoeningen

Lupus en pemphigus zijn de meest bekende auto-immuun aandoeningen. Er bestaan van beide aandoeningen meerdere vormen. Histopathologisch onderzoek van huidbiopten is noodzakelijk om een diagnose te stellen. De patholoog kan op basis van de veranderingen in de huid nog een derde groep auto-immuunaandoeningen diagnosticeren: de pemphigoïden. Dit zijn afwijkingen in de huid die lijken op pemphigus (vandaar de naam).

Pemphigus

Er bestaan meerdere pemphigus varianten waarvan pemphigus foliaceus veruit de meest voorkomende is. Bij pempighus worden er antilichamen geproduceerd die gericht zijn tegen eiwitten tussen de cellen van de opperhuid (desmosomen). De verwoesting van de desmosomen zorgt voor acantholyse: het vroegtijdig loslaten van huidcellen. Deze cellen noemen we acantholyische cellen en zien er anders uit dan normale huidcellen.

In onderstaande simplistische illustratie zijn huidcellen afgebeeld. De rode en groene balkjes stellen desmosomen voor. Dit zijn speciale eiwitstructuren die huidcellen onderling met elkaar verbinden zodat er een stevige verbinding ontstaat. De opperhuid is immers de eerste afweer tegen indringers van buitenaf. Voor meerdere functies van de afweer en huid is dus erg belangrijk dat de huidcellen goed met elkaar verbonden zijn. 

Binnen het pemphigus-complex zijn er verschillende varianten en dit heeft o.a. te maken met het type desmosoom dat als ‘target van de aanval’ dient. Bij de ene pemphigus valt het lichaam bv de rode balkjes aan en bij de andere de groene. We kennen vier varianten bij de kat: pemphigus foliaceus (PF), pemphigus erythematosus (PE), pemphigus vulgaris (PV) en paraneoplastische pemphigus (PNP).

Er zijn tot op heden géén onderzoeken bij de kat gedaan die aantonen dat de klachten van pemphigus bij de kat ook op deze manier ontstaan.

desmosomen pemphigus

Pemphigus foliaceus

Pemphigus foliaceus is de meest bekende en voorkomende variant. Hoe de klachten bij de kat ontstaan is, in tegenstelling tot bij mensen en honden, niet bekend.

De voornaamste klacht is het ontstaan van oppervlakkige pustels. Net zoals bij honden zijn deze blaasjes gevuld met pus en erg fragiel. Ze gaan snel kapot, het resultaat is korstvorming.
In principe kunnen de korsten over het hele lichaam voorkomen maar bij de kat worden ze voornamelijk op de neusspiegel, neusrrug, oorschelp en nagelriemen gezien. Zo’n 80% van de katten heeft korsten in het aangezicht. 

Pusserige uitvloeiing bij de nagelriem (gezien bij 54% van de gevallen) maakt de kat erg verdacht van pemphigus. Het pus wordt ook wel beschreven als een dikke kazige substantie. Sommige katten hebben lichamelijke klachten zoals sloomheid, verminderde eetlust of koorts. De jeuk is variabel echter zijn er aanwijzingen dat de helft van de katten jeuk heeft. Pemphigus kan daarom lijken op huidallergieën bij de kat.

De diagnose wordt gesteld via weefselonderzoek van huidbiopten. De waarschijnlijkheidsdiagnose kan gesteld worden middels cytologisch onderzoek van de inhoud van pustels. Cytologisch onderzoek is het bekijken van cellen onder de microscoop. De dierenarts kan met een glaasje en speciale kleuring het verkregen monster onder de microscoop bekijken.

Het heeft de voorkeur om intacte pustels te bewaren voor huidbiopten omdat zij zeldzaam zijn en enorm veel informatie kunnen geven. “Don’t waste a good pustel on cytology” is het advies van dermatoloog Mendoza-Kuznetsova.
Soms kan men door middel van cytologie van de huid onder de korsten aanwijzingen vinden voor pemphigus foliaceus. We zien dan een bepaald type ontstekingscellen (niet-degeneratieve neutrofielen) én acantholytische cellen zonder bacteriën.

Als de diagnose is gesteld dan is het belangrijk om zo snel mogelijk met de behandeling te starten. Prednisolon is de meest gebruikte behandeling waarbij er zeer hoge doseringen gegeven moeten worden. Als de huidklachten zijn verdwenen kan men afbouwen tot een lage onderhoudsdosering. Een klein percentage van de patiënten kan zonder medicatie.

C. Favrot, ... S.J. Langley-Hobbs, in Feline Orthopedic Surgery and Musculoskeletal Disease, 2009

Lupus

Bij lupus ontstaan de klachten door het vastlopen van immuuncomplexen die ontstaan door een overgevoeligheidsreactie (type III). De complexen lopen vast in kleine bloedvaatjes en zorgen voor ontstekingen. De ontstekingen bij lupus ontstaan in de onderste laag van de opperhuid ter hoogte van het basaalmembraan. 

Er bestaan meerdere lupus varianten. DLE en SLE zijn twee vormen van lupus erythematosus. SLE staat voor systemische lupus erythematosus en DLE voor discoïde lupus erythematosus. SLE is extreem zeldzaam en gaat gepaard met klachten van meerdere organen waaronder de huid. DLE betreft enkel de huid.

De diagnose is vrij complex waarbij men net zoals bij allergieën niet kan vertrouwen op één enkele test. Er moet aan enkele criteria voldaan worden voordat een definitieve diagnose gesteld kan worden. Helaas zijn er bij de kat geen criteria bekend omdat deze aandoeningen zo zeldzaam zijn. Er wordt gebruik gemaakt van de criteria voor honden en mensen.

Immuungemedieerde aandoeningen

Immuungemedieerde aandoeningen zijn ziektes waarbij het immuunsysteem ontregeld is en niet meer goed functioneert. Voorbeelden van immuungemedieerde huidaandoeningen bij de kat zijn plasma cel pododermatitis, hypereosinofiel syndroom (HES), auriculaire chondritis, erythema multiforme (EM) en exfoliatieve dermatitis (ED).

Plasma cel pododermatitis

Plasma cel pododermatitis is een aandoening waarbij de zoolkussens ontsteken of zacht worden. Het komt gelukkig niet zo vaak voor maar in vergelijking met pemphigus en lupus zien we plasma cel pododermatitis relatief vaak.

Het vermoeden bestaat dat de klachten worden veroorzaakt door een infectie of afwijkende reactie van het afweersysteem. Virussen en bacteriën lokken een reactie van het afweersysteem uit en bij een verstoring van het immuunsysteem kunnen klachten ontstaan. Bij allergische huidaandoeningen reageert de afweer ook overmatig en afwijkend. Tot op heden is er uit onderzoek geen verband gevonden tussen de aandoening en allergieën, virussen of bacteriën. 

Symptomen

In een vroeg stadium treedt er schilfering van de zoolkussens op en kunnen ze zacht worden. Naarmate de tijd verstrijkt verandert de kleur en zien de voetzooltjes er donkerder uit. Uiteindelijk zullen er zweertjes ontstaan en spreken we van ulceraties en pododermatitis (ontstoken pootjes). Bij sommige katten zorgt de ontsteking van de zoolkussens voor sterke toename van de voetzooltjes (kan lijken op wildgroei). 

Over het algemeen lijkt de kat er gek genoeg geen last van te hebben. Meestal zijn er meerdere pootjes aangedaan en soms zijn meerdere voetzooltjes van één poot ontstoken. 

Diagnose en behandeling

De definitieve diagnose wordt via huidbiopten gesteld. De dierenarts kan ook eerst cytologisch onderzoek uitvoeren. Er kunnen dan een bepaald type ontstekingscellen gezien worden, plasmacellen. Vandaar de naam: plasma cel pododermatitis (een ontsteking van de poten met plasma cellen).

Over het algemeen zullen katten met deze aandoening behandeld worden met prednisolon of soortgelijke afweeronderdrukkende medicijnen. Cyclosporine en doxycycline (antibiotica) + niacinamide (vit B3) kunnen ook voorgeschreven worden. Bij wildgroei of sterke zwelling van de voetzooltjes kan er gekozen worden voor chirurgisch ingrijpen. 

Hypereosinofiel syndroom (HES)

Zelf heb ik nog nooit van deze aandoening gehoord en ik denk met mij vele anderen. Bij de mens bestaat dit syndroom uit meerdere aandoeningen. Ze hebben allen één ding gemeen en dat is een verhoogd aantal eosinofielen in het bloed (eosinofilie). Eosinofielen zijn een bepaald type ontstekingscel van het afweersysteem.
Normaliter kan eosinofilie bij dieren wijzen op een parasitaire infectie of een onderliggende allergie. Soms is er sprake van een tumor of onbekende oorzaak.

Ook bij de kat met HES zien we teveel eosinofiele bloedcellen in het bloed. Deze ontstekingscellen kunnen in grote aantallen in verschillende organen terecht komen.

De huid is vaak aangedaan maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. De huidklachten bestaan uit ernstige jeuk, roodheid en krabdefecten. De meest voorkomende systemische klachten zijn maag-darm gerelateerd en vermageren.

De diagnose is niet altijd even makkelijk waarbij andere oorzaken voor eosinofilie uitgesloten moeten worden.

De klachten worden behandeld met corticosteroïden in hoge doseringen om het immuunsysteem te onderdrukken. De prognose is slecht omdat meeste katten niet goed op de behandeling reageren. Over het algemeen overleven de katten niet langer dan 2 jaar (zelden tot 4 jaar na ontstaan van klachten).

Auriculaire chondritis

Ook al zo’n vreemde aandoening met een moeilijke naam. Het is een zeldzame aandoening die ook bij mensen gezien wordt. Er zijn ook gevallen bekend bij muizen en honden. Chondritis is een ontsteking van het kraakbeen en auriculair wijst op de oren, of beter gezegd de oorschelp.

In meeste gevallen gaat de aandoening gepaard met verdikking en vervorming van de oorschelp waarbij de kat pijn heeft en de huid rood kleurt. In sommige gevallen kunnen er ook afwijkingen aan de ogen, schilfers, kaalheid of een vergroot hart gezien worden.

Het klinische beeld is suggestief voor auriculaire chondritis maar uiteindelijk zijn huidbiopten nodig voor de bevestiging.Er is tot op heden te weinig informatie om iets te kunnen zeggen over het verloop van de ziekte en de prognose.

De behandeling is vaak teleurstellend en weinig effectief. In tegenstelling tot mensen reageren katten nauwelijks op corticosteroïden maar mogelijk wel op dapsone (antibioticum). Heel soms lost de ontsteking van het kraakbeen vanzelf op.

Erythema multiforme (EM)

Erythema multiforme (EM) lijkt veroorzaakt te worden door een toxische reactie gericht tegen lichaamseigen cellen. De reactie ontstaat na een infectie of blootstelling aan een medicijnen. Er zijn meerdere immuungemedieerde aandoeningen waarbij de klachten op deze manier ontstaan. In de diergeneeskunde is de classificatie nog onduidelijk. Er zijn gevallen bekend waarbij EM door een infectie of vaccinatie getriggerd werd.

Bij mensen is zijn aandoeningen van deze groep goed beschreven. Voorbeelden zijn Steven-Johnson syndrome (SJS) en toxische epidermale necrolyse (TEN).

De symptomen ontstaan meestal acuut en zijn niet specifiek behalve de eventuele ‘target lesions’. We zien rode puntjes, blaasjes of rode vlekken.

Er is helaas geen bewezen effectieve behandeling en het gebruik van corticosteroïden is controversieel. Op het moment hebben de specialisten de voorkeur om te behandelen met cyclosporine.

Exfoliatieve dermatitis (ED)

Deze schilferige aandoening wordt veroorzaakt door een tumor van de thymus. Het exacte mechanisme is niet bekend maar er bestaat een vermoeden dat er iets fout is met de witte bloedcellen uit de thymus en de functie ervan.

Typische huidplekjes van ED bestaan niet. Symptomen zijn schilfers, korsten en roodheid; eerst op de kop en oorschelp en breiden zich later uit naar de nek en rest van het lichaam. Meestal heeft de kat geen jeuk maar dit kan wel.

Het is aandoening van oudere katten of katten van middelbare leeftijd. Systemische klachten zijn mogelijk: hoesten, gewichtsverlies, verminderde eetlust of bemoeilijkte ademhaling.

Bij het vermoeden van ED is het maken van een röntgenfoto doorgaans bevestigend door het zien van een zwelling (thymoom) in de borstkas. De enige behandeling is het chirurgische verwijderen van de tumor.

© 2020 Huidadvies voor Dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update jan 2020. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding: ESVD 29th Annual Congress

Pemphigus foliaceus bij de hond

Auto-immuun aandoening van de huid

Pemphigus is een van de auto-immuun aandoeningen van de huid die we bij honden en katten zien. Exacte getallen zijn niet bekend maar pemphigus foliaceus (PF) is één van de meest voorkomende auto-immuun aandoeningen.

Bij honden en katten kennen we vijf varianten:

  1. Pemphigus foliaceus (PF)
  2. Pemphigus erythematosus (PE)
  3. Panepidermale pustuleuze pemphigus (PPP)
  4. Pemphigus vulgaris (PV)
  5. Paraneoplastische pemphigus (PNP)

Van de vijf pemphigus varianten wordt PF veruit het meest gezien.

Ontstaan van de klachten

Auto-immuun aandoeningen ontstaan doordat het afweersysteem lichaamseigen cellen, -eiwitten of andere structuren aanziet voor lichaamsvreemd. Het immuunsysteem maakt antilichamen aan om de ‘vreemde’ structuur te markeren. Vervolgens kunnen speciale cellen van het immuunsysteem ze opruimen.

We weten niet precies waarom het lichaam eigen cellen of weefsels voor lichaamsvreemd aanziet. Er gaat iets mis waardoor het immuunsysteem abnormaal functioneert. Bij mensen en honden bestaat er een sterke genetische predispositie: we zien pemphigus foliaceus bijvoorbeeld vaker bij Akita’s en Chow Chows. Het lijkt erop dat dit foutje in de reactie van het afweersysteem terug te vinden is in de genen en aan nakomelingen overgedragen wordt.

Naast erfelijke factoren of foutjes in het DNA zijn infectieuze oorzaken(bv. virussen), (dier)geneesmiddelen in de breedte zin en chronische huidziekten genoemd als mogelijke triggers voor het ontstaan van pemphigus. Meestal is de precieze oorzaak van het ontstaan van pemphigus niet te achterhalen.

Wat gaat er mis op celniveau?

Het pemphigus-complex kenmerkt zich door de vorming van blaasjes of blaren die zich verder ontwikkelen tot pukkels (pustels) en korsten. De blaasjes worden gevormd doordat het afweersysteem specifieke eiwitten en structuren in de opperhuid aanvalt. Hierdoor laat de huid als het ware los en ontstaan er blaasjes of blaren. 

Op celniveau zijn huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) bij pemphigus niet meer goed met elkaar verbonden. Een karakteristiek verschijnsel van pemphigus foliaceus (PF) is ‘acantholyse‘. De dierenarts of dermatoloog kan met cytologisch onderzoek van de huid acantholytische cellen waarnemen. De dierenarts drukt met een objectglaasje op de huid (= het maken van een afdrukpreparaat) en kan zo de huidcellen onder de microscoop bekijken (= cytologisch onderzoek).

Acantholytische cellen zijn kenmerkend voor o.a. pemphigus foliaceus. Het zijn grote keratinocyten (huidcellen) met een grote celkern: ze zijn te vroeg losgelaten waardoor de celkern niet verloren is gegaan. Normale huidcellen zijn afgeplat en hebben een kleinere of afwezige celkern. Dode huidcellen zonder kern noemen we corneocyten.

In onderstaande simplistische illustratie zijn huidcellen afgebeeld. De rode en groene balkjes stellen desmosomen voor. Dit zijn speciale eiwitstructuren die huidcellen onderling met elkaar verbinden zodat er een stevige verbinding ontstaat. De opperhuid is immers de eerste afweer tegen indringers van buitenaf. Voor meerdere functies van de afweer en huid is dus erg belangrijk dat de huidcellen goed met elkaar verbonden zijn. 

Bij pemphigus foliaceus worden er antilichamen tegen desmosomen aangemaakt waardoor de cellen onderling loslaten. Binnen het pemphigus-complex zijn er verschillende varianten en dit heeft deels te maken met het type desmosoom dat als ‘target van de aanval’ dient. Bij de ene pemphigus valt het lichaam bv de rode balkjes aan en bij de andere de groene. 

desmosomen pemphigus

Symptomen

Wat zien we? – puistjes/pukkels (pustels), blaasjes (vesikels) korsten, erosies (schaafplekken), ulcers (zweertjes) en kaalheid. Soms hebben honden jeuk. Ze kunnen ook bijkomende huidinfecties ontwikkelen en daardoor lijken op allergische huidpatiënten.

Waar op het lichaam? – kop, aangezicht, oorschelpen, voetzooltjes. De huid rondom de ogen, op de neusrug en oorschelpen zijn het meest betrokken.

Afhankelijk van het ras, trigger en cyclische aard van de aandoening komen de symptomen lokaal of gegeneraliseerd voor. Als de symptomen over het hele lichaam gezien worden (gegeneraliseerd), kan het dier ook koorts hebben en sloom zijn. 

Omdat het in de opperhuid mis gaat, en de huid van honden relatief dun is (in vergelijking met mensen), zien we zelden blaasjes en pustels zeldzaam. Ze gaan snel kapot waardoor we meestal ‘epidermale collarettes’, schilfertjes en met name korsten zien. Epidermale collarettes zijn ronde kringen met kleine schilfers of korstjes. Een roodheid of een rode rand hoeft niet altijd gezien te worden. Op de foto rechts onder zijn twee epidermale collarettes te zien. Deze huidafwijking zien we zeer regelmatig bij bacteriële huidinfecties. 

collarette (geen copyright)

Toelichting enkele begrippen:

  • Pustel: ook wel puistje genoemd, het is een klein blaasje gevuld met cellen (soms een rode rand). De pustel ligt in de opperhuid. Ze kunnen witte bloedcellen of pus bevatten. We zien ze vaak bij immuungemedieerde aandoeningen of bacteriële huidproblemen.
  • Blaasje: ook wel vesikel genoemd, het is een klein blaasje gevuld met heldere vloeistof. Ze gaan snel kapot. We zien ze vaak bij immuungemedieerde of virale aandoeningen.
  • Erosie: oppervlakkig maar klein defect in de opperhuid (het basaalmembraan blijft intact)
  • Ulcer: defect in opperhuid die doorloopt tot in de lederhuid (het basaalmembraan is beschadigd)
  • Epidermale collarette: specifieke schilfering van de opperhuid. Meestal ontstaat de schilfering door het open barsten van een pustel of blaasje. Een veelvoorkomend kenmerk van een bacteriële huidinfectie.
  • Korst: ingedroogd materiaal afkomstig van bv. serum of pus

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt gesteld door weefselonderzoek (histopathologie) van huidbiopten. De dierenarts kan denken aan een auto-immuunaandoening als de klachten op oudere leeftijd zijn ontstaan, de huidklachten op specifieke plekken op het lichaam aanwezig zijn (voetzooltjes, oorschelpen), een allergie niet waarschijnlijk is of de hond slecht reageert op ingestelde behandelingen. Over het algemeen zullen er in de anamnese, het lichamelijk onderzoek en aanvullende testen (schimmelkweek, cytologisch onderzoek) aanwijzingen naar voren komen die wijzen richting een auto-immuunaandoening.

De dierenarts kan pemphigus foliaceus op meerdere manieren behandelen. Meestal werken combinatie-protocollen beter dan een mono-therapie waarbij men gebruik maakt van één medicijn of geneesmiddel.

Veel gebruikte medicijnen zijn:

  • Glucocorticosteroïden
  • Azathioprine
  • Chloorambucil
  • Doxycycline (antibiotica) en niacinamide (vitamine B3)
  • vitamine E
  • Essentiële vetzuren
  • Tacrolimus zalf/crème
  • Lokale glucocorticosteroïden

Het is belangrijk om gedurende de behandeling regelmatig voor controle bij de dierenarts langs te gaan. De symptomen van pemphigus foliaceus zien we ook bij oppervlakkige huidinfecties met bacteriën. Honden met een afwijkende functie van het afweersysteem en defecte huidbarrière zijn tevens gevoeliger voor het ontwikkelen van bacteriële huidinfecties.

Als het dier medicatie krijgt om de reactie van het afweersysteem aan te passen (remmen/onderdrukken) kan deze gevoelig worden voor infecties. Om deze redenen is het erg belangrijk om te blijven controleren of de huidplekjes niet door bacteriën veroorzaakt worden. Bijkomende huidinfecties dienen behandeld te worden waarbij antibioticaresistentie voorkomen moet worden (herhaaldelijk gebruik van antibiotica wordt dus afgeraden).

Prognose

De prognose is variabel en hangt van meerdere factoren af. De uitgebreidheid en ernst van de huidafwijkingen, respons op behandeling, tolerantie van de behandeling, kosten van de medicatie en monitoring/controles bepalen doorgaans het succes van de behandeling. De ervaring en kennis van de behandelaar speelt ook een rol. Sommige honden hebben een gereserveerde prognose en andere honden reageren goed op behandelingen en zijn lange periodes klachtenvrij. Meeste honden hebben levenslange behandeling nodig met één of meerdere geneesmiddelen, echter zien we af en toe complete genezing (als de afwijkende reactie van het afweersysteem door een medicijn getriggerd wordt en de behandeling tijdig gestart wordt). 

© 2020 Huidadvies voor Dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update jan 2020. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding: ESVD 29th Annual Congress, ESAVS Dermatology course III

Help mijn kat heeft een blauw bultje!

blauw bultje in gehoorgang kat

Bultjes bij huisdieren

Er zijn vele oorzaken voor bultjes bij huisdieren. Een bult kan in de huid zitten maar ook onder de huid. Het is niet altijd makkelijk om dit te bepalen zonder weefselonderzoek. Op basis van de inhoud van de bult kunnen we 16 groepen vormen. Denk dan aan bloed, serum, pus, ontstekingscellen, vet, calcium, pigmentcellen en verschillende type tumorcellen. Bij honden en katten zien we soms ook blauwe bultjes. In dit artikel lees je meer over de mogelijke oorzaken en wat te doen.

Heeft jouw kat een bult(je)? Dan is het altijd aan te raden om bij de dierenarts langs te gaan. Bereid je voor op vervolgonderzoek, want het is in bijna alle gevallen niet mogelijk om op basis van tast of het uiterlijk de diagnose te stellen. De dierenarts kan voorstellen om een naaldbiopt te nemen of om de bult te verwijderen en op te sturen voor weefselonderzoek.

Dunne naald aspiratie biopt: wat is het?

Een dunne naald aspiratie biopt (DNAB) is op twee manieren te nemen. We kunnen de ‘losse naald’ techniek gebruiken (prettig bij beweeglijke patiënten of kleine bultjes) en de ‘naald-spuit’ techniek.

Bij de losse naald techniek prikken we met een naald een aantal keer in de bult om cellen te verzamelen. Bij de naald-spuit techniek maken we gebruik van dezelfde snijdende en bewegende techniek als met een losse naald, echter verzamelen we doorgaans meer cellen/materiaal doordat we met de spuit een vacuüm creëren. De naald wordt vervolgens van de spuit gehaald en met lucht spuiten we het verzamelde monster uit de naald op een objectglaasje.

Het verzamelde materiaal verzenden we meestal naar een extern laboratorium. Hier zullen de glaasjes gekleurd worden en door de patholoog onder de microscoop bekeken worden. In veel gevallen geeft dit onderzoek een goede indicatie over de oorsprong en aard van de bult.
Er zijn ook dierenartsen die door middel van intensieve nascholing of jarenlange oefening het cytologisch onderzoek van bulten en tumoren zelf kunnen uitvoeren. Het monster hoeft dan niet opgestuurd te worden maar zal op de praktijk onderzocht kunnen worden.

Een blauw bultje, dat’s best gek

Dat klopt, blauwe bultjes zien we niet zo vaak. Ze kunnen in de oren gezien worden maar ook elders op het lichaam. De bultjes kunnen goed- of kwaadaardig zijn. Het is daarom ook aan te raden om naar de dierenarts te gaan voor het stellen van een diagnose en verdere behandeling.

Blauwe bultjes in de oren

Blauwe bultjes of blaasjes in de gehoorgang is een typisch beeld van ceruminaalklierhyperplasie. In de huid van de gehoorgang komen zgn. cerumineuze klieren voor.  Deze klieren maken cerumen ofwel oorsmeer aan.
Cellen kunnen toenemen in grootte en omvang door een verhoogde celdeling, we noemen dit hyperplasie.

Deze blaasjes komen met name bij katten voor en gaan regelmatig gepaard met een stinkende oorontsteking. Er bestaan drie gradaties: verhoogde celdeling, goedaardige en kwaadaardige variant.

Een bultje kan zich met de tijd van de één ontwikkelen in de ander. Een in eerste instantie goedaardige tumor kan dus uiteindelijk kwaadaardig worden. De kwaadaardige variant kan in een rap tempo groter worden en het omliggende weefsel irriteren. Tevens zijn uitzaaiingen naar omliggende lymfeklieren mogelijk.

De diagnose wordt gesteld door een stukje van de bult, of bij voorkeur de hele bult, op te sturen voor weefselonderzoek (histologie).

Omdat de bultjes vaak diep in de gehoorgang voorkomen en mogelijk onderdeel zijn van een onderliggend probleem, verwijs ik kat en eigenaar door naar een dierenziekenhuis waar chirurgen en dermatologen samen werken. Bijvoorbeeld Medisch Centrum voor Dieren in Amsterdam, Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren in Utrecht of Veterinair Verwijscentrum de Pietersberg in Oosterbeek. 

blauw bultje in gehoorgang kat
blauw bultje in gehoorgang kat

Blauwe bultjes elders op het lichaam

Als de blauwe bultjes elders op het lichaam gezien worden, kunnen we  wederom de aard van de bultjes niet voorspellen. Hieronder een aantal mogelijke oorzaken:

Hemangioom – goedaardige tumor

Een hemangioom is een goedaardige tumor van de wand van bloedvaten. Het komt regelmatig voor bij honden maar is vrij zeldzaam bij katten. Het merendeel van de bultjes ontstaan in de onderhuid (subcutis) maar varianten ín de huid komen ook voor.

De tumortjes worden het meest gezien bij oudere dieren en zijn vaak op zichzelf staand (solitair), goed omschreven schijf- of eivormige bultjes. Ze kunnen rood doorschemeren maar zijn meestal rood-zwart tot blauwig van kleur.

Kaalheid, zweertjes, ontsteking of bloedingen zien we regelmatig. De behandeling kan variëren tussen chirurgische verwijdering onder narcose, cryo- of elektrochirurgie tot niets doen en afwachten.

Kwaadaardige variant- hemangiosarcoom

Meeste goedaardige tumoren hebben een kwaadaardige tegenpool. Een hemangiosarcoom is een kwaadaardige ontaarding van de cellen in de wand van bloedvaten. Meestal zijn deze tumoren niet zo goed omschreven als de goedaardige variant. We zien eerder een plakkaat dan een echt bultje.

Bij katten komen uitzaaiingen gelukkig niet zo veel voor (in tegenstelling tot de hond) echter zien we vaak dat de tumor terugkomt na chirurgische verwijdering. Het advies is om, indien mogelijk, de bult zo rigoureus mogelijk te verwijderen. De prognose is niet zo goed.

Melanoom – tumor van pigmentcellen

Pigmentcellen komen voor in de opperhuid en noemen we melanocyten. Een goedaardig melanoom noemen we ook wel melanocytoom, voor de kwaadaardige variant hebben we geen aparte benaming. Tumoreuze ontaarding van deze cellen uit zich meestal als een bultje ín de huid (niet eronder).

Bij katten zien we deze tumoren niet vaak en moeten onderscheiden worden van de veel vaker voorkomende gepigmenteerde basaalcel tumoren. Gemiddeld zijn katten 9 jaar oud als de diagnose gesteld wordt.

Gepigmenteerde basaalcel tumor

We zien drie type tumoren bij de hond en kat: epitheliale, mesenchymale en rondcellige tumoren. Van de epitheliale tumoren zijn basaalcel tumoren (BCT) de meest voorkomende bij de kat. Ongeveer 34% van dit type tumor is een basaalcel tumor. De eerder genoemde tumor van de cerumineuze klieren zien we maar in 5-7% van de gevallen.

De basaalcel tumor kan naar binnen of naar buiten groeien. Het zijn vaak stevige of cyste-achtige bultjes waarbij ze geregeld gekleurd zijn, we noemen dit dan gepigmenteerde basaalcel tumoren.

Meestal zijn deze tumoren goedaardig maar kwaadaardige varianten en uitzaaiingen zijn beschreven in de literatuur. We zien deze tumoren het meest op de kop of in de nek. Ook bij dit type tumor is het aan te raden om het bultje te verwijderen en op te sturen voor weefselonderzoek.

Weefselonderzoek (histologisch onderzoek)

In dit artikel heb ik meerdere malen het woord ‘weefselonderzoek’ genoemd.
Bij een groot aantal van de bulten kan een dunne naald aspiratie biopt een diagnose stellen. In de gevallen waarbij dit niet lukt, kunnen we aan de hand van het onderzoek van de cellen wel een inschatting maken over de oorzaak of oorsprong van de bult.

Om verschillende redenen kan de dierenarts de voorkeur hebben om weefselonderzoek uit te laten voeren. We kunnen hierbij een stukje van de bult insturen maar het dier moet voor dit onderzoek wel onder algehele narcose. Meestal is het dan net zo makkelijk om de gehele bult weg te nemen en op te sturen voor onderzoek.

Met histologisch onderzoek kan de patholoog en dus de dierenarts je beter informeren: 

  • Aard en oorsprong van de bult
  • Hebben we de bult volledig verwijderd?
  • Is deze goed- of kwaadaardig?

Met aanvullende testen op dit weefsel kunnen we een betere prognose geven. Hoe groot is de kans op herstel of recidief? Moeten we nog nabehandelen door bijvoorbeeld bestraling? Enzovoort

Heb je vragen over een dunne naald aspiratie biopt, weefselonderzoek óf blauwe bultjes bij uw kat?

Neem dan contact op met je dierenarts.

© 2018 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort
Laatst bijgewerkt: december 2019

Ontsmettende doekjes (wipes)

doekje

Behandeling van huidinfecties

Er bestaan veel verschillende soorten ziekteverwekkers. Huidinfecties kunnen door bacteriën, gisten of schimmels veroorzaakt worden. Niet elke infectie wordt op dezelfde manier behandeld. Tegenwoordig kunnen we gelukkig op meerdere manieren huidinfecties bij honden, katten en andere dieren behandelen. 

Er bestaan meerdere soorten bacteriële huidinfecties; oppervlakte, oppervlakkige en diepe infecties. Bij de behandeling heeft het gebruik van antibiotica sinds enkele jaren een andere plek gekregen. Antibiotica resistentie is natuurlijk één van de belangrijkste redenen hiervoor. Het is belangrijk dat we met z’n alle proberen zo min mogelijk antibiotica te gebruiken en hier verstandig mee omgaan. Het gebruik van antiseptische huidverzorgingsproducten is dan ook in opkomst.

Een andere veelvoorkomende huidinfectie is Malassezia dermatitis. De infectie wordt veroorzaakt door een overgroei van gisten waarbij er vrijwel altijd een onderliggende oorzaak te vinden is. Gisten zijn eencellige schimmels en worden meestal lokaal behandeld met een medicinale shampoo. Soms zijn orale anti-schimmel medicijnen nodig.

Lees meer over huidinfecties door bacteriën en gisten in het artikel “Huidinfecties bij de hond“.

Bij de behandeling van een dermatophytose (schimmelinfectie) is vaak een combinatie van lokale en systemische anti-schimmel middelen nodig. Gelukkig komen schimmelinfecties bij honden en katten niet vaak voor. Lees meer over dermatophytose in het artikel “Schimmelinfecties bij hond en kat“.

Alternatief voor antibiotica en andere medicatie

Naast antibiotica en anti-schimmel middelen bestaan er veel ingrediënten die tegen diverse micro-organismen ingezet kunnen worden. Voorbeelden van werkzame stoffen en ingrediënten zijn honing, chloorhexidine en azijnzuur. 

Er zijn verschillende soorten producten met antiseptische ingrediënten verkrijgbaar: shampoo, mousse, spray, zalf, gel, doekjes etc. Op deze pagina vind je een overzicht met ontsmettende doekjes. 

Ontsmettende doekjes

Wanneer kun je de doekjes gebruiken?

  • Ontstekingen van huidplooien (neus, staart, lip)
  • Reiniging van nagelbed, tussenteenhuid, oorschelp en kin van allergische honden met terugkerende huidinfecties
  • Kin acne bij hond of kat
  • Lipplooi eczeem bij de hond
  • Aanvullend op antibiotica behandeling van huidinfecties
  • Puppypyodermie: huidinfectie van de buik  bij puppies en jonge honden
  • Reiniging van gebied rondom vulva bij honden met urine incontinentie (voorkomen of behandelen van urinebrand) of overgewicht
  • Aanvullend op de behandeling van hotspots

Overzicht:

Maxani chloorhexidine doekjes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine 
  • Aloë vera
  • Glycerine
  • Benzoëzuur (E210)
  • Vitamine E
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties

*40 stuks per verpakking

Dermoscent® PYOclean wipes

Ingrediënten
  • Plantaardige olie van hennep
  • PhytoC-2® (plantenextract)
  • Essentiële olie van Cajputi
  • Allantoïne
  • Lipo-aminozuren van groene appels & extracten van zeepkruid (Saponaria wortel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en milde Malassezia dermatitis

*20 stuks per verpakking

Douxo® PYO pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • Phytosphingosine
  • Groene thee extracten
  • Parfum (zeer mild)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*30 stuks per verpakking

dermazyme pyo pads

Dermazyme® Pyo Chloorhexidine pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

dermazyme pyo microsilver pads

Dermazyme® Pyo Microsilver pads

Ingrediënten
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

malacetic wipes

MalAcetic wipes

Ingrediënten
  • Azijnzuur (2%)
  • Boorzuur (2%)
  • Propyleenglycol
  • Polysorbaat
  • Glycerine
  • Geurstof (appel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*100 stuks per verpakking

CLX wipes

CLX wipes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine
  • Tris-EDTA
  • Zinkgluconaat
  • Glycerine
  • Climbazol
  • Benzylalcohol
  • Propyleenglycol
  • Parfum
  • Gedemineraliseerd water
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*40 stuks per verpakking

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Schimmelinfecties bij hond en kat

schimmel microscopie

Dermatophytose

Dermatophytose is een oppervlakkige schimmelinfectie van de huid bij honden en katten. Veel mensen noemen deze huidaandoening ook wel ringworm. Deze naam komt van de klassieke huidafwijking die we bij mensen zien: een ronde, rode ‘ring’. 

Merendeel van de schimmelinfecties bij dieren worden veroorzaakt door Microsporum canis, Microsporum gypseum en Trichophyton soorten (spp.). Bij de kat wordt meer dan 90% van de infecties door M. canis veroorzaakt. Bij de hond zien we vaker problemen door M. gypseum en Trichophyton. Er zijn meer dan 20 dermatophytsoorten bekend bij hond en kat. Dermatophyten zijn schimmels die infecties van huid, haren of nagels veroorzaken. 

Hoewel we in de praktijk dagelijks huidpatiënten zien, komen schimmelinfecties bij hond en kat maar weinig voor. Ongeveer 0-4% van de dieren heeft hier last van. Er wordt dan ook tegenwoordig gezegd: “It is NOT ringworm until proven“.

Dieren kunnen een schimmelinfectie oplopen na direct contact met sporen die ín de vacht aanwezig zijn. Besmet raken via sporen in de omgeving is zeldzaam. Sporen in de omgeving vormen alleen een risico als de huid beschadigd is en de sporen via een object met de huid in aanraking komen (denk dan aan een borstel of scheerapparaat). Sporen van dermatophyten hebben namelijk keratine nodig om te overleven en kunnen niet zomaar aan de huid vasthechten. Keratine is een eiwit van het lichaam dat onder andere in de opperhuid, nagels en haren van mens en veel diersoorten voorkomt.

Risicofactoren

  1. Leeftijd: zowel jonge als oude dieren zijn meer gevoelig voor het oplopen van schimmelinfecties
  2. Vachtconditie: slechte vachtverzorging bij langharige katten maakt ze gevoeliger voor schimmelinfecties (de sporen worden niet goed uit de vacht verwijderd). Dit geldt ook voor dieren met vilt of klitten
  3. Verlaagde afweer: door een onderliggende aandoening, willekeurige ziekte, andere omstandigheden (bv. dracht) of immuunonderdrukkende medicatie (zoals prednisolon) 
  4. Landelijke omgeving / ‘life style’: deze dieren hebben vaker kleine huidbeschadigingen of worden direct blootgesteld aan besmette dieren (wilde knaagdieren) of objecten
  5. Parasieten van de huid (vlooien, mijten), jeuk en andere huidinfecties: door microtrauma van de huid neemt de gevoeligheid voor dermatophytose toe
  6. Warmte en vochtigheid: predisponeren voor schimmelinfecties
  7. Kennel, cattery, honden- of kattenshow, pension, uitlaatservice: maar ook andere plekken waar honden of katten veel met elkaar in contact komen, zij hebben een groter risico

Zoönose

Dermatophytose is een zoönose. Alle genoemde dermatophyten kunnen de mens infecteren.
Het is echter geen ernstige ziekte voor de mens (of dier) en het is gelukkig ook niet ongeneselijk!

Bij mensen zien we vaker schimmelinfecties door een verminderde afweer (kinderen, ouderen, chronisch zieke personen). De schimmel dringt de buitenste laag van de huid binnen, groeit daar en vormt sporen. Via de sporen kan de infectie zich verspreiden (ook naar andere personen of zelfs dieren). De schimmel veroorzaakt een typische rode, ronde ring die vaak steeds groter wordt. De huidplek geneest vanuit het midden en gaat uiteindelijk vanzelf weer weg. Bij mensen met een verminderde afweer kan de infectie heviger zijn en meer klachten met zich mee brengen. De genezing duurt dan vaak ook langer doordat het afweersysteem niet goed functioneert.

Lees meer over ringworm bij mensen op de website van het RIVM

Hoe ontstaan de klachten?

Een hond of kat raakt besmet met dermatophyten na direct contact met schimmelsporen. Dit kan op twee manieren gebeuren: via een besmet dier of via zogenaamde ‘fomieten’. Fomieten zijn objecten die pathogenen overbrengen. Bijvoorbeeld: dekentjes, mandjes, borstels of kooien. 

Een gezond dier krijgt niet zomaar ringworm. De huid moet beschadigd zijn alvorens de schimmelsporen zich kunnen vasthechten en koloniseren. 

Na direct contact met de sporen, zullen deze binnen 12 uur ‘ontkiemen’ en binnen 24 uur zijn de sporen de haar of huid binnengedrongen via speciale vezeltjes (‘fibrils’). Meeste schimmelinfecties zijn zelflimiterend. Het afweersysteem van de hond of kat ruimt de indringer op via een ontstekingsreactie en versnelde celdeling van de opperhuid (keratinisatie). Dermatophyten hebben echter de nare eigenschap om de reactie van het afweersysteem te omzeilen of aan te passen. Het lichaam kan de infectie niet klaren en het dier wordt ziek. 

We zien schimmelinfecties daarom vooral bij dieren waarbij het afweersysteem verzwakt is (jonge, oude of zieke dieren). 

Symptomen

Hond

Schimmelinfecties bij de hond gaan gepaard met verlies van haren. De schimmelsporen tasten de haren aan waardoor deze afbreken en het dier kaal lijkt te worden.

De kaalheid (alopecia) kan gepaard gaan met:

  • schilfers
  • korstvorming
  • roodheid van de huid
  • verdikking van de huid (lichenificatie)
  • zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie)

Over het algemeen heeft de hond meerdere kale plekken. Deze kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn. Bij kortharige honden met ronde kale plekken (niet symmetrisch) moeten we ook denken aan een bacteriële huidinfectie of demodicosis (mijten). 

Een hond met ringworm hoeft niet perse jeuk te hebben. Dit is eerder een uitzondering dan de regel, het hangt ook af van de soort schimmel waarmee het dier besmet is.

folliculitis hond
plek met schilfers en korsten

Kat

De symptomen bij een kat worden deels bepaald door de algehele gezondheid van de kat. Een kat met een hele heftige schimmelinfectie heeft dus eigenlijk meer last van de onderliggende ziekte dan de schimmel zelf. 

Bij de kat kennen we drie soorten infecties:

  • Simpele infectie
    Gezonde katten of kittens met beperkte en milde klachten. Genezen ook snel met of zonder behandeling. 
  • Gecompliceerde infectie
    Katten met uitgebreide klachten en een onderliggende ziekte (meestal voorste luchtweg problemen zoals niesziekte). Ze hebben vaak lange haren en huidontstekingen. Katten met gecompliceerde infecties zijn moeilijker te behandelen; het duurt vaak lang en recidieven komen voor.
  • Dragers
    Katten (vaak langharige) die sporen met zich meedragen maar zelf geen klachten hebben. Ze worden ook wel ‘stof moppen’ genoemd. 

Het kan lastig zijn om een schimmelinfectie te diagnosticeren. De klinische klachten zijn zeer variabel. Sommige katten hebben milde en aspecifieke klachten, terwijl andere hele heftige symptomen vertonen.

Ook bij de kat gaat een schimmelinfectie gepaard met verlies van haren (ze breken af). Andere mogelijke symptomen:

  • Kaalheid, met name op kop, oren en poten
  • Afgebroken haren
  • Schilferige huid
  • Roodheid
  • Hele fijne schilfering in de vacht (‘sigaretten as’)
  • Feline Acne
  • Korstvorming

Sommige katten hebben klachten die passen bij een vlooienallergie (miliaire dermatitis: kleine korstjes) of hebben last van symmetrische alopecia. 

kat met schimmel
Korstvorming op de neus
korstjes in aangezicht kat
Kleine wondjes in het aangezicht

Raspredispositie

  • Perzisch langhaar (Pers) (M. canis)
  • Jack Russel Terriër (M. gypseum via wilde knaagdieren)
  • Yorkshire Terriër (M. canis)

Daarnaast worden schimmelinfecties vaker bij zwerfkatten en jachthonden gezien.

Diagnose

Ringworm bij de hond of kat gaat niet gepaard met symptomen die alleen bij schimmelinfecties gezien worden. Zogenaamde pathognomonische huidafwijkingen ontbreken. Vandaar dat er ook gezegd wordt dat een dier pas een schimmelinfectie heeft als dit bewezen is. 

Maar hoe wordt de diagnose gesteld?

Er is geen gouden standaard test en specialisten adviseren om de diagnose met behulp van meerdere testen te stellen. In de praktijk maken de meeste dierenartsen gebruik van een schimmelkweek. Deze testen zijn mogelijk:

  • Microscopisch onderzoek van een haarpluksel (trichogram) en huidafkrabsel
  • Schimmelkweek
  • PCR schimmeltest
  • Huidbiopt(en)

Tot slot kan de dierenarts of dermatoloog de Woodse lamp gebruiken als hulpmiddel. Elk onderzoek heeft z’n nadelen. Een betrouwbare uitslag begint tevens bij representatief genomen monster en de ervaring/kennis van de dierenarts. Op de website van VdQd staat heel mooi beschreven waar het in de praktijk fout kan gaan.

Klik op onderstaande kopjes om meer te lezen.

De beste manier om materiaal te verzamelen voor microscopisch onderzoek is de combinatie van haarpluksels en afkrabsels van verdachte huidplekjes. Het vinden van schimmelharen, sporen of hyfen is niet moeilijker dan het microscopisch onderzoek van mijten, bacteriën of gisten. Het vergt echter wel ervaring en kennis van de dierenarts. Met dit onderzoek kan de dierenarts níet bepalen om welke schimmelsoort het gaat.

Door de haren en huidmonsters onder de microscoop te bekijken, kan de dierenarts (mét ervaring) schimmelsporen, hyfen of schimmelharen detecteren. Het vinden van schimmelharen is diagnostisch voor een schimmelinfectie. Samen met huidbiopten is dit enige test waarbij men direct de schimmelinfectie kan waarnemen.

Er wordt geadviseerd om de geïnfecteerde haren te gebruiken voor een schimmelkweek zodat de schimmelsoort gedetermineerd kan worden.  

Bij een schimmelkweek neemt de dierenarts ook monsters van verdachte huidplekjes (haren, schilfers, huid), het liefst aan de rand. Het verkregen materiaal wordt op een speciale groeiplaat aangebracht en kan direct in de praktijk op kweek gezet worden. De dierenarts kan er ook voor kiezen om het monster op te sturen naar een extern laboratorium. Daar zullen getrainde en ervaren laboranten de monsters ‘incuberen’ en beoordelen. 

Dit onderzoek is de enige manier om te beoordelen om welke schimmelsoort en -stam het gaat. Meestal zien we binnen 10-14 dagen groei van witte platte koloniën. Als er gebruik gemaakt wordt van een DTM (Dermatophyte Test Medium) dan hoort er ook een kleuromslag waargenomen te worden (van geel naar rood). 

Het is mogelijk dat de test geen betrouwbare uitslag geeft. De test kan vals negatief zijn als er zgn. saprofieten of andere schimmel op de plaat groeien. Zij zijn minder selectief en benutten alle voedingsstoffen uit de groeiplaat waardoor de ware dermatophyten niet zullen groeien. De test kan ook vals positief zijn. Dit heeft meestal te maken met het aflezen van de test of besmetting via objecten uit de omgeving. 

PCR onderzoek voor dermatophytoses is een relatief nieuwe testmogelijkheid. Het grootste voordeel van deze test is dat de uitslag binnen enkele dagen bekend is, in tegenstelling tot de schimmelkweek waarbij het 1-2 weken duurt. 

De PCR test bepaalt of er DNA van schimmels aanwezig is in het opgestuurde monster (meestal haren). In feite zegt de uitslag van de test niet dat de huidplekjes perse door een schimmel veroorzaakt worden. 
Veel dermatologen maken daarom nog steeds gebruik van een schimmelkweek i.c.m. microscopisch onderzoek. 

Het nemen van huidbiopten voor de diagnose van een schimmelinfectie is bij meeste gevallen niet nodig. Het diagnosticeren van een schimmelinfectie via een huidbiopt gebeurt vaak bij ongewone of zeldzame infecties. 

Hoe zit het dan met de Woodse lamp?
Op het jaarlijkse Europese dermatologie congres (’19) heeft dermatoloog en schimmelexpert Moriello uitgelegd hoe deze lamp werkt en dat het als hulpmiddel gebruikt kan worden. De nadruk in diverse lezingen lag op het feit dat het géén diagnostische test is en dus niet gebruikt kan worden om de diagnose te stellen.

De Woodse lamp is niet perse hetzelfde als een gewone UV lamp of ‘blacklight’. Om een dergelijke lamp voor medische doeleinden te gebruiken, moet de lamp aan een aantal ‘eisen’ voldoen: golflengte van de UV stralen moet tussen de 320 en 400 nm liggen, de lamp moet zonder batterijen functioneren (op stroom) en bij voorkeur een vergrootglas hebben. 

Het onderzoek moet plaatsvinden in een donkere kamer en de Woodse lamp moet dicht op de huid gehouden worden voor een betrouwbare uitslag. Niet alle schimmelsoorten fluoresceren met de Woodse lamp. Als het dier een Microsporum canis infectie heeft dan kleuren de haren appeltjes groen (fluoresceren). Bij onbehandelde dieren kleuren de haren in 90% van de gevallen op.
Maar er zijn meer dingen die fluoresceren, denk aan korstjes en schilfers, zalfjes, talg. Het is dus belangrijk dat de onderzoeker (vaak een dierenarts) weet waar hij/zij naar moet kijken en wanneer de Woodse lamp werkelijk positief is. De fluorescerende haren kunnen gebruikt worden voor een schimmelkweek en microscopisch onderzoek. Pas bij het zien van sporen, hyfen of schimmelharen én een positieve schimmelkweek is de diagnose dermatophytose gesteld. 

Behandeling

De behandeling van schimmelinfecties is een nachtmerrie voor elke dierenarts, dierprofessional en diereigenaar. Bij mensen is een schimmelinfectie in meeste gevallen met een antischimmelzalf te genezen. Bij dieren, met name katten, is dat een ander verhaal.

De behandeling is dan ook multimodaal en bestaat o.a. uit ‘quarantaine’, schoonmaken, lokale behandeling, systemische behandeling en monitoring. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorontsteking: PPSP systeem

Oorontsteking: topje van de ijsberg

Een oorontsteking is een pijnlijke en vervelende aandoening die we regelmatig bij honden zien. Bij katten zien we minder vaak oorproblemen. Dieren met een oorontsteking hebben vaak pijn en schudden met de kop of klapperen met de oren. De oorschelp en gehoorgang kan rood of ontstoken zijn en de oren zijn vaak vies (oorsmeer of pus). Als er een bijkomende infectie met gisten of bacteriën aanwezig is, dan stinkt het oor(smeer) meestal. 

Voor veel mensen lijkt een oorontsteking een simpel probleem: ontsteking of infectie → zalfje → probleem opgelost. Echter is niets minder waar, het is het topje van de ijsberg. Bij terugkerende of chronische oorontstekingen is er áltijd een onderliggend probleem. In het artikel Oorontsteking bij de hond kun je meer lezen over symptomen, oorzaken, bijkomende infecties en plan van aanpak bij chronische oorproblemen.

Om het probleem goed in kaart te brengen, wordt er al jaren geadviseerd om via het PPSP systeem te werken. Ook zijn er een aantal stappen die doorlopen moeten worden:

Stap 1: Anamnese + Signalement
Stap 2: Lichamelijk onderzoek
Stap 3: Cytologisch onderzoek
Stap 4: Behandeling van de ontsteking en eventuele infectie
Stap 5: Onderliggende oorzaak onderzoeken 

Het PPSP systeem is niet bij alle dierenartsen bekend maar staat wel in de KNMvD Richtlijn Otitis Externa bij hond en kat beschreven. Ook op nascholingen wordt er steeds meer aandacht aan dit systeem besteedt. 

Belangrijke factoren

Om een hond met terugkerende of chronische oorproblemen goed te kunnen behandelen is het noodzakelijk om het probleem zorgvuldig en systematisch in kaart te brengen. Dit doen we door middel van het PPSP systeem. Bij elke hond beoordelen we welke factoren aanwezig zijn. Bij de behandeling zullen we dan al deze factoren moeten behandelen. Een simpele behandeling met oorzalf is meestal niet afdoende.

Lees hieronder meer over de afzonderlijke factoren. 

Predisponerende factoren zijn factoren die het oor gevoeliger maken voor ontsteking (dankzij primaire factoren). Op zichzelf veroorzaken zij géén ontsteking. 

– Anatomie

  • Haren in de gehoorgang
  • Vernauwde gehoorgang (Shar-pei, Chow Chow, brachycephale rassen zoals Engelse bulldog)
  • Hangende oren
  • Harige binnenzijde oorschelp (Cocker Spaniël)

– Temperatuur en luchtvochtigheid

  • Omgeving (warmte en hoge luchtvochtigheid)
  • Regen of zwemmen

Primaire oorzaken zijn factoren die direct een oorontsteking veroorzaken (in gezonde oren).

  • Parasieten (mijten)
  • Allergieën (voedsel, omgeving)
  • Vreemd voorwerp (grasaar)
  • Hormonale problemen (te trage schildklier, Cushing, verstoring van geslachtshormonen)
  • Auto-immuun ziektes (pemphigus foliaceus, lupus erythematosus)
  • Keratinisatie- of talgklierstoornissen (primaire seborroe, sebaceous adenitis)
  • Obstructieve problemen (poliep of tumor)

Secundaire factoren zijn factoren die in een niet-gezonde gehoorgang de klachten (ontsteking) kunnen verergeren. In de praktijk ligt de focus meestal op het wegnemen van secundaire factoren. Ook deze factoren veroorzaken in de regel géén klachten bij gezonde dieren.

  • Infecties
    Bacteriën of gisten. 
  • Reactie op ‘medicatie’
    Irriteren de ontstoken huid; bv. alcohol, zure middelen (lage pH), propyleenglycol
  • ‘Overcleaning’
    De huid blijft te vochtig en verweekt. De gehoorgang kan beschadigd raken door wattenstaafjes of onkundig handelen (trauma). 

Perpetuating ofwel bestendigende factoren zijn factoren die de ontsteking in stand houden en/of verergeren en genezing voorkomen. We zien deze factoren bij chronische oorontstekingen. Zonder onderliggende oorzaak zijn deze factoren ook niet aanwezig. 

Door de chronische ontsteking veranderen de volgende aspecten:

  • Bovenste laag van de huid (epitheel)
  • Gehoorgang
  • Trommelvlies
  • Klieren

Wat zien we in de praktijk?
Als gevolg van de ontsteking zullen de opperhuid en lederhuid dikker worden en het zelfreinigende mechanisme verstoord raken. Hierdoor wordt er meer oorsmeer geproduceerd en ontstaat er een ophoping van vuil en oorsmeer in de horizontale en verticale gehoorgang. Als gevolg van blijvende of herhaalde toediening van medicatie kan er een contactallergie of -dermatitis ontstaan (zie ook secundaire factoren). 

Niet alleen is de huid ontstoken maar ook de cerumen- en talgklieren en haarzakjes gaan mee doen. Hierdoor verergeren de klachten en wordt genezing bemoeilijkt. Door de chronische ontsteking wordt de diameter van de gehoorgang steeds smaller waardoor de situatie alleen maar erger wordt. Bij veel honden met een chronische oorontsteking raakt het trommelvlies beschadigd of geperforeerd. Een middenoorontsteking zien we dan ook bij een relatief groot percentage van de honden met een chronische oorontsteking.

Door de verkalking en verbening van het kraakbeen en gehoorgang an sich heeft het dier continu pijn. Dit is het eindstadium van een chronische oorontsteking. Vaak zit er in dat stadium niets meer op dan de gehele gehoorgang operatief te verwijderen. 

Wat te doen bij een chronische oorontsteking?

Bij terugkerende oorproblemen of niet-genezende oorontsteking is het verstandig om het probleem goed aan te pakken. Ik zie regelmatig dat er geen écht plan is en dat de focus op het behandelen van de infectie (secundaire factor) ligt terwijl het probleem dus veel complexer is. 

Vraag de dierenarts om advies zodat het onderliggende probleem (primaire factor of oorzaak) achterhaald kan worden. Kom je er bij de dierenarts niet uit? Vraag dan verwijzing naar een dermatoloog

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Huidplekjes en jeuk aan de kop

wondje op neus kat

Huidaandoeningen van de kop

Katten met huidproblemen hebben regelmatig huidplekjes of jeuk aan de kop. De plekjes en jeuk kunnen zich beperken tot het aangezicht of de oren maar ook uitbreiden naar hals of nek. Er zijn vele ziekten bij de kat die jeuk en huidafwijkingen aan de kop geven.
Mogelijke oorzaken:
1. Virussen
2. Bacteriën
3. Schimmels en gisten
4. Parasieten
5. Allergieën
6. Auto-immuun of immuun gemedieerde aandoeningen
7. Zeldzame aandoeningen
8. Tumoren
9. Uitingen van inwendige ziekte
10. Gedragsgerelateerde problemen
11. Trauma

Virussen

  • Herpes virus (onderdeel van niesziekte)
  • Koepokken virus
  • Papilloma virus

Bacteriën

  • Acne
  • Abces door een bijt- of krabwond
  • Bacteriële ontsteking (van de haarzakjes)

Feline Acne is een veel voorkomend probleem bij katten maar meestal hebben ze hier geen last van. 

Schimmels en gisten

  • Microsporum canis (schimmel)
  • Malassezia dermatitis (gisteninfectie)
  • Cryptococcus infectie (schimmel)

Parasieten

  • Oormijten
  • Schurftmijten
  • Vachtmijten
  • Demodex mijten
  • Oogstmijten (Trombicula autumnalis)
  • Leishmania (komt niet voor in Nederland)

Allergieën

  • Voedselovergevoeligheid
  • Feline Atopie Syndroom (non flea, non food hypersensitivity)
  • Muggenbeetovergevoeligheid
  • Contactallergie

Onderdeel van de allergieën zijn ook het indolent ulcer en eosinofiel granuloom (complex)

Auto-immuun & immuungemedieerde aandoeningen

  • Reactie op bepaalde medicijnen ('cutaneous drug reaction')
  • Pemphigus varianten
  • Vasculitis
  • Lupus varianten

Huidtumoren

  • Plaveiselcelcarcinoom (squamous cell caricnoma, SCC)
  • Basaalcel tumor
  • Fibrosarcoom
  • Lymfoom (epitheliotroop lymfoom, T-cel lymfoom)
  • Mastcel tumor

Door naar de huid te kijken kunnen we vaak een ontsteking en een tumor niet van elkaar onderscheiden. Er is aanvullend onderzoek nodig om uiteindelijk te diagnose te stellen. In meeste gevallen zal de dierenarts huidbiopten moeten nemen. Katten moeten voor dit onderzoek onder narcose gebracht worden. De huidbiopten worden naar een extern laboratorium gestuurd zodat een patholoog er naar kan kijken.

Uitingen van inwendige ziekte

  • Paraneoplastisch syndroom

Plekjes of jeuk aan de kop kunnen ook een uiting zijn van inwendige ziekte. Vaak treden deze klachten op in het kader van ‘paraneoplastische syndromen’. Dit zijn verschijnselen die niet direct door ingroei of massa werking van de tumor worden veroorzaakt. De tumor geeft stofjes af die voor ontsteking, kaalheid of jeuk zorgen. Voorbeelden zijn kaalheid door een alvleeskliertumor, ‘paraneoplastisch exfoliatieve dermatitis’ of exfoliatieve thymoom bij de kat.

Over het algemeen hebben katten met huidproblemen door inwendige ziekte ook nog andere klachten. Denk hierbij aan vermageren, slecht verzorgde vacht, afwijkende geur, slechte eetlust/stoppen met eten, afwijkend gedrag, ernstige ziekte, veel drinken of plassen, etc.

'Trauma'

  • Krab- of bijtwonden (zonder abcesvorming)
  • Ontsteking door hitte (verbranding)
  • 'Frostbite' (ontsteking door kou)
  • Contact dermatitis (na aanraking van irriterende stoffen)
© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door Dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding:
– A Practical Guide to Feline Dermatology van É. Guaguère en P. Prélaud (vertaald door M. Craig)(1999)

Het afweersysteem en atopie

bakstenen muur

Atopie

Atopie beschrijft bij de mens een aantal aandoeningen waarbij het immuunsysteem overdreven reageert op stofjes die niet schadelijk voor het lichaam zijn (zoals pollen en huisstofmijten). Mensen met atopie hebben een aanleg voor het ontwikkelen van eczeem, astma of hooikoorts. De overdreven reactie van het afweersysteem noemen we een allergische reactie en ontstaat na blootstelling aan allergenen via de huid of na inademing. Bij dieren spreken we vaak van een omgevingsallergie in plaats van atopie. Veel mensen noemen het voor het gemak “hooikoorts” maar eigenlijk is dit geen terechte benaming.

Atopie bij honden is vergelijkbaar met atopie bij mensen. Bij atopische honden zien we voornamelijk huidklachten met jeuk en bijkomende huidinfecties. Atopie komt ook bij katten voor, zij hebben net zoals de hond vooral last van huid- en jeuk klachten. Echter zijn er ook veel katten met allergische astma.

Pas in de jaren 70 zijn we steeds meer te weten gekomen over atopie bij de hond. Onze kennis over allergische huidklachten bij de kat is nog steeds beperkt.   

Atopie is een complexe huidaandoening die ontstaat door meerdere factoren. In essentie zien we een ontregeling van de afweerreactie, allergische sensibilisatie, een defecte huidbarrière, microbiële kolonisatie en invloed van omgevingsfactoren. In dit artikel zal ik de ontregeling van het afweersysteem toelichten.

Het afweersysteem

Het afweersysteem wordt ook wel ‘de weerstand’ of het immuunsysteem genoemd. De primaire taak van dit systeem is het lichaam verdedigen tegen mogelijke bedreigingen. Indringers zijn bijvoorbeeld potentiële ziekteverwekkende micro-organismen (bacteriën, gisten, schimmels) en virussen. Het afweersysteem ruimt ook afvalstoffen en zieke lichaamscellen (zoals kankercellen) op. Maar ook bij trauma (het stoten van je knie of verzwikken van je enkel), wondgenezing en operaties of andere ‘onnatuurlijke’ ingrepen komt de afweer de hoek om kijken.

Niet elke indringer lokt eenzelfde type afweerreactie uit. Het immuunsysteem kan tijdens het bestrijden van de indringer(s) schade toebrengen aan het lichaam. Deze schade moet beperkt worden, ofwel er moet een balans zijn!
De balans tussen bescherming van het lichaam en door de afweer veroorzaakte schade kan verstoord zijn door ziekte, tumoren, een allergie of auto-immuun probleem. Bij auto-immuunaandoeningen werkt de afweer verkeerd en allergische dieren hebben een te sterke afweerreactie (schiet z’n doel voorbij).

In het onderstaande filmpje wordt de afweerreactie en werking van het afweersysteem toegelicht. Het filmpje gaat dan wel over chronische darmziekte bij de mens maar is vergelijkbaar bij huid- en darmproblemen bij honden en katten!

Componenten van het afweersysteem

Het immuunsysteem is niet één ding. Het afweersysteem bestaat uit meerdere componenten en ‘subdivisies’. We maken in ieder geval een onderverdeling tussen de aangeboren en verkregen afweer.

Aangeboren afweer

De aangeboren afweer wordt ook wel de ‘niet-specifieke afweer’ genoemd. Dieren worden er mee geboren: het is een snelle respons van het lichaam tegen potentiële gevaren. Máár de reactie is niet specifiek of nauwkeurig. Het lichaam herkent de ziekteverwekkers met een kleine hoeveelheid antennes (receptoren) maar de eerste afweerreactie is niet specifiek tegen één ziekteverwekker gericht en slaagt er daarom niet altijd in om de ziekteverwekker te elimineren. Vaak remt de eerste afweer de mogelijke ziekteverwekkers zodat het verkregen afweersysteem vervolgens in actie kan komen.

De niet-specifieke afweer omvat de eerste en tweede verdedigingslinie. De eerste verdediging bestaat uit diverse (fysieke) barrières en afweermechanismen zoals niezen of hoesten. Bij een barrière kun je denken aan de vacht, de huid en huidbarrière, traanvocht en maagzuur. 
De tweede lijn van de verdediging is een ‘ingebakken’ systeem dat ervoor zorgt dat het afweersysteem snel kan reageren op bacteriën en virussen die het lichaam binnendringen. Binnen de tweede verdedigingslinie bestaan er meerdere manieren om af te weren: fagocytose (witte bloedcellen kunnen ziekteverwekkers ‘opeten’), anti-microbiële peptiden (eiwitten die tegen bacteriën werken) en natural killer cellen (NK-cellen). De ontstekingsreactie van witte bloedcellen is één van de belangrijkste onderdelen.

Verkregen afweer

De verkregen afweer ontwikkelt zich in een later stadium gedurende het leven. Dit deel van het immuunsysteem bestaat uit een cellulaire en humorale respons. De verkregen afweer wordt ook wel ‘verworven’ of ‘specifieke afweer’ genoemd.

De reacties van dit deel van de afweer zijn specifiek gericht tegen bepaalde ziekteverwekkers. Het lichaam komt bijvoorbeeld in aanraking met het parvovirus (hond) of calicivirus (kat) en door een cascade aan reacties maakt het lichaam antilichamen tegen deze virussen aan. Bij herhaalde blootstelling is de afweer dan in staat om sneller en heviger te reageren (‘afweer opbouwen’ door middel van geheugencellen).

De cellulaire respons is gericht tegen geïnfecteerde lichaamscellen. De humorale respons is gericht tegen ‘antigenen’ door de productie van antilichamen.
Lymfocyten zijn een belangrijk onderdeel van het verworven immuunsysteem. Het zijn speciale witte bloedcellen die het lichaam verdedigen. Er bestaan meerdere soorten met elk een eigen specifieke functie (bv. T-cellen en B-cellen). Met name de T-lymfocyten (T-cellen) spelen een grote rol bij problemen met de afweer (atopie, demodicosis).

Waar gaat het bij een allergie mis?

Bij allergische dieren maakt het afweersysteem van een mug een olifant én functioneren niet alle onderdelen van het gehele afweersysteem naar behoren. 

Huidbarrière

De huidbarrière bestaat uit meerdere onderdelen waarbij de vetlaag tussen de huidcellen een groot aandeel heeft. Voor het gemak wordt de huidbarrière vaak vergeleken met een bakstenen muur met cement. De bakstenen zijn de huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) en het cement is de vetlaag ertussen. De combinatie zorgt ervoor dat ziekteverwekkers en andere indringers de huid niet kunnen penetreren en vocht niet kan uittreden (voorkomt uitdroging van de huid). Het is een waterafstotende en goed afsluitbare barrière. 

Bij honden met atopie, en waarschijnlijk ook katten, is de bakstenen muur met cement niet goed gevormd. Vocht treedt uit en allergenen dringen de huid binnen. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd op 19 juli 2017

Parasieten van de huid – konijn

mooi konijn

Ectoparasieten bij het konijn

Konijnen met huidproblemen hebben vaak last van parasieten of schimmels. Op deze pagina lees je meer over ectoparasieten die bij het konijn voorkomen. Ectoparasieten zijn parasieten die óp de gastheer (het konijn) leven. 

Vachtmijten

Eén van de meest voorkomende parasieten bij konijnen zijn vachtmijten. Het zijn niet-gravende mijten die nét met het blote oog zichtbaar zijn. In het Engels spreken ze ook wel van ‘walking dandruff’ ofwel wandelende roos. Als je een konijn met vachtmijten goed bekijkt dan kun je de mijten zien lopen als kleine huidschilfers (witte stipjes), zeker als je een vergrootglas gebruikt. 

Cheyletiella parasitovorax

Cheyletiella mijten komen bij veel diersoorten voor (o.a. hond, kat). De vachtmijt bij het konijn heet Cheyletiella parasitovorax. Ze veroorzaken milde jeuk, veel schilfers en soms kale plekken. Veel gezonde konijnen dragen aan aantal mijten bij zich maar vertonen geen klachten. Mensen kunnen ook huidklachten door deze mijt ontwikkelen maar de mijt kan niet op ons voortplanten. Als het konijn behandeld wordt, zullen de huidklachten van de mensen vanzelf overgaan.

Levenscyclus
De volwassen vrouwelijke mijten leggen eitjes op het dier. De eitjes zitten vast aan de haren en kunnen zo in de omgeving terechtkomen. De eitjes ontwikkelen zich tot nimfen en uiteindelijk volwassen mijten. De gehele levenscyclus is binnen 14-21 dagen voltooid (van ei tot volwassen mijt). Volwassen vrouwtjes kunnen tot 10 dagen in de omgeving (buiten de gastheer) overleven. 

Symptomen
Het meest kenmerkende van deze mijt zijn de grote witte schilfers. Meestal heeft het konijn er weinig last van. Soms zien we korstjes en milde jeuk op de rug. Bij heftige besmetting hebben de konijnen meer jeuk en zien we ook kale plekken.

Diagnose
Aan de hand van de symptomen en microscopisch onderzoek is de diagnose veelal makkelijk te stellen.

Behandeling
Er zijn meerdere producten op de markt om de mijten te doden. Vachtmijten zijn goed te bestrijden met pipetjes met selamectine (Stronghold®*). Eenmalige toediening is vanwege de levenscyclus van de mijt vaak niet voldoende. Het advies is om tenminste twee keer alle konijnen met een pipetje te behandelen (met 14 dagen tussentijd, off-label gebruik).

*LET OP: Stronghold® is niet geregistreerd voor het gebruik bij konijnen. Het is echter een veilig en effectief middel mits in de juiste dosering toegediend. Toediening van dit middel bij konijnen (en cavia’s) gaat volgens het lichaamsgewicht. Wilt u weten welke dosering geschikt is voor uw konijn, neem dan contact op met uw dierenarts. 

Listrophorus gibbus

Een andere vachtmijt bij het konijn is Listrophorus (Leparacarus) gibbus. Het is eveneens een niet-gravende mijt. Meestal veroorzaakt deze mijt geen ziekte, ook al zijn ze in grote aantallen aanwezig.

Bij zwakke konijnen met een verminderde afweer of veel stress kunnen er huidproblemen ontstaan. De mijt veroorzaakt dan een vochtige kale huidontsteking. De symptomen zien we vooral op de rug, ‘schaamstreek’, buik en staart.

De behandeling is hetzelfde als voor Cheyletiella. Deze mijt is echter niet overdraagbaar op mensen.

microscopie mijten konijn
L. gibbus vachtmijten
vachtmijt konijn
Konijn met schilfers op de rug

Oormijten

Oormijten zijn spinachtige parasieten die in de buitenste gehoorgang van dieren kunnen leven. 

Psoroptes cuniculi

P. cuniculi is de oormijt van het konijn. Het is net zoals Cheyletiella en L. gibbus een niet-gravende mijt. Ze kunnen voor intense irritatie zorgen!

Levenscyclus
De levenscyclus is voltooid in 3 weken (van eitje tot volwassen mijt).  De volwassen mijt kan ook gedurende 3 weken in de omgeving overleven. Het is daarom bij de behandeling ook noodzakelijk om het hok en de omgeving mee te behandelen.

Symptomen
Belangrijke klachten zijn schudden met de kop, krabben aan de oren en rode of ontstoken huid. Kenmerkend is de productie van wondvocht (exsudaat), dit droogt vervolgens op waarbij er dikke korsten gevormd worden. De korsten vullen de buitenste gehoorgang en zijn een ideale voedingsbron voor (jonge) oormijten. 

Bij heftige infecties kunnen de huidontstekingen zich uitbreiden naar het gezicht en de nek. Als het trommelvlies scheurt kan er een etterige middenoorontsteking (bijkomendee bacteriële ontsteking) ontstaan en soms zelfs een hersenvliesontsteking.

Diagnose
De mijten zijn zichtbaar bij inspectie van de gehoorgang met een otoscoop. De dierenarts kan ook wat oorsmeer uitstrijken op een objectglaasje en onder de microscoop mijten en eitjes waarnemen.

Behandeling
Er zijn meerdere behandelingen mogelijk waarbij de meeste enkele keren herhaald moeten worden. 
Over het algemeen wordt er gekozen voor injectie met ivermectine (bij de dierenarts) of pipetten voor op de huid (Stronghold® of Advocate®). Als er een bacteriële infectie aanwezig is, zal deze met een antibiotica zalf behandeld moeten worden. Het is echter ook mogelijk om de infectei te behandelen met speciale honing oordruppels (Dermiel®). Bij heftige klachten en ontsteking kan er zelfs voor behandeling met corticosteroïden (zalf) gekozen worden. 

Alle dieren die in contact kunnen komen met het konijn (én de omgeving) moeten ook behandeld worden.
Milde mijtinfecties kunnen ook lokaal behandeld worden met een oorzalf met mijt-dodende eigenschappen (geregistreerd voor de kat).

Nadat de mijten gedood worden door de behandeling zal er minder wondvocht gemaakt worden en zullen de korsten uiteindelijk verdwijnen. Als er gekozen wordt om de korsten te verwijderen dan wordt aangeraden om de huid en korsten te verzachten alvorens ze te verwijderen. Dit kan bijvoorbeeld met mineraalolie. Het verwijderen van de korsten is erg pijnlijk en kan de gehoorgang en huid behoorlijk beschadigen!

korsten oren konijn
© National Center for Veterinary Parasitology

Vlooien

Honden, katten en mensen hebben een eigen vlooiensoort. Ook konijnen hebben er één: Spilopsyllus cuniculi. De konijnenvlo komt echter niet vaak voor bij konijnen die als huisdier gehouden worden.

Spilopsyllus cuniculi

De konijnenvlo is een belangrijke vector voor myxomatose. Een vector is een organisme dat ziekteverwekkers kan overdragen. Een besmette vlo kan via de bloedmaaltijd het virus aan konijnen doorgeven.

Konijnen kunnen ook een vlooienbesmetting oplopen via de kat of hond. De kattenvlo (C. felis) komt bij beide diersoorten voor en kan ook bij konijnen overlast veroorzaken.

Levenscyclus
Net zoals andere vlooien kent de konijnenvlo meerdere levensstadia: ei, larve, cocon, volwassen vlo. De konijnenvlo heeft echter een bijzondere levenscyclus. De voortplanting van de vlooien wordt bepaald door de voortplantingscyclus van het konijn. Vrouwelijke vlooien kunnen namelijk bij zwangere voedsters merken wanneer zij bijna moeten bevallen (ze worden aangetrokken door veranderingen in de hormoonspiegels van de voedster). Op dat moment paren de volwassen vlooien en legt het vrouwtje vele eitjes. De vlooien voeden zich vnl. met bloed van de pasgeboren konijntjes.

Volwassen vlooien die net uit hun cocon komen, moeten binnen 1 week hun eerste bloedmaaltijd nuttigen. Daarna kunnen ze enkele maanden overleven. De optimale temperatuur  om voort te planten ligt tussen de 21 en 30 graden Celsius. 

Symptomen
De konijnenvlo zit graag rondom de oren, meestal bij de basis of aan de oorranden. Ze kunnen op en rondom het konijn leven. De kattenvlo wordt met name op de lage rug en bij de staart gevonden. Zij leven óp het konijn en in principe niet in de omgeving. 

Een konijn met vlooien heeft last van (erge) jeuk, rode plekjes en haaruitval. Op het dier kunnen vlooienpoepjes als zwarte puntjes in de vacht waargenomen worden.

Diagnose
Klinische symptomen in combinatie met het vinden van vlooien en/of vlooienpoepjes is voldoende om de diagnose te stellen. Bij passende klachten zonder aanwijzingen voor vlooien is diagnostische behandeling geïndiceerd.

Behandeling
De behandeling van konijnen met vlooien is hetzelfde als bij andere diersoorten. Hokgenoten en de omgeving moeten ook behandeld worden. Er zijn echter geen diergeneesmiddelen of producten werkzaam tegen vlooien voor konijnen geregistreerd. Imidacloprid en selamectine zijn veilige werkzame stoffen, vraag de dierenarts om advies. Gebruik NOOIT producten met fipronil (Frontline®) bij konijnen! 

Lukt het niet om de vlooien weg te krijgen? Neem dan contact op voor aanvullend advies. 

jeuk konijn
© John Benson (bron: Flickr)

Andere parasieten van de huid

Naast vachtmijten, oormijten en vlooien kunnen er nog meer ectoparasieten bij het konijn gevonden worden. Ze komen niet vaak voor en zijn doorgaans goed te behandelen met ivermectine injecties of spot-on therapie. 

Demodex cuniculi

Huidproblemen met demodex mijten komen bij honden regelmatig voor. Bij konijnen is deze mijt zeldzaam, al zijn er aanwijzingen dat deze mijt tot de normale huidflora behoort. D. cuniculi leeft in de haarzakjes en opperhuid. Over het algemeen hebben konijnen géén klinische symptomen. Kaalheid en variabele jeuk worden het meest gezien. Demodex mijten zijn bij honden niet besmettelijk, bij katten en konijnen komen wel overdraagbare vormen voor. 

Schurftmijten

Sarcoptes scabiei var cuniculi en Notoedres cati var cuniculi zijn twee soorten schurfmijten die bij het konijn kunnen voorkomen. Hoewel ook deze mijten ook vrij zeldzaam zijn, kan schurft bij het konijn weleens voorkomen. 

Konijnen met schurft hebben jeuk, kale plekken en huidontstekingen met korstjes. 

Op de website van Dierenkliniek Wilhelminapark kun je meer lezen over schurft bij het konijn.

Luizen

Gelukkig komen ook deze parasieten niet vaak voor bij konijnen. De konijnenluis, Haemodipsus ventricosus, veroorzaakt jeuk en bij heftige infestaties bloedarmoede. De luizen zijn met het blote oog te zien. 

Teken

Er bestaan veel soorten teken waarbij de ‘konijnenteek’ gelukkig niet in Europa gevonden wordt. Haemaphysalis leporis-palustris komt met name in Noord- en Zuid-Amerika voor. Ook bij konijnen kunnen teken ziektes overbrengen, zoals myxomatose en het papillomavirus.

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017