Te traag werkende schildklier: diagnose

dikke hond schildklier?

Hypothyreoïdie bij de hond

Een van de meest voorkomende hormonale aandoeningen bij de hond is hypothyreoïdie. ‘Hypo’ betekent weinig of minder dan en ‘ thyroïd’ is de medische term voor schildklier.
Bij hypothyreoïdie werkt de schildklier niet zoals het hoort en is er een tekort aan schildklierhormonen. Er wordt vaak gezegd dat de hond dan een te traag werkende schildklier heeft maar in werkelijkheid is er sprake van ernstige functieverlies tot verwoesting van de schildklier.

Oorzaak van het tekort

Bij meeste honden is er sprake van een verwoesting van de schildklier. Dit gaat gepaard met vele klachten omdat schildklierhormonen een belangrijke rol in de stofwisseling innemen.

Er zijn twee oorzaken voor de verwoesting van de schildklier. De schildklier kan door een auto-immuun reactie kapot gaan of door onbekende oorzaak, in het laatste geval noemen we het ‘idiopathisch’. Aan de buitenkant kunnen we niet zien of het om de immuungemedieerde of idiopathische variant gaat.

Bij de auto-immuun variant maakt het afweersysteem antilichamen tegen de cellen van de schildklier aan. Hierdoor raakt de schildklier ontstoken en gaat het weefsel kapot. Deze immuungemedieerde schildklieraandoening kent een genetische basis. Hypothyreoïdie komt dan ook bij bepaalde hondenrassen vaker voor. 

De schildklierpatiënt

De diagnose ‘hypothyreoïdie’ als oorzaak van huidklachten wordt in de praktijk erg vaak gesteld. Ondanks het één van de meest voorkomende hormonale problemen is, is deze aandoening in de dermatologie overgediagnosticeerd. Dat betekent dat veel honden gediagnosticeerd worden met een te traag werkende schildklier terwijl dit niet de werkelijke oorzaak van de huidklachten is.

Het verwarrende is dat veel honden met een normale schildklierfunctie alsnog verbeteren op schildkliermedicatie. Er wordt zelfs geschat dat ongeveer 60-70% van de honden die behandeld worden met schildklierhormoon géén hypothyreoïdie heeft, aldus prof. dr. Hans Kooistra.

De diagnose “Hypothyreoïdie”

Het beoordelen van de schildklierfunctie wordt meestal via een bloedonderzoek gedaan. Er zijn veel factoren die de aanwezigheid van het schildklierhormoon in het bloed beïnvloeden. Denk hierbij aan de leeftijd van de hond, het ras, lichaamsconditie, grootte van het dier, inspanning en medicijnen (bv. NSAIDs, hartmedicatie).

Ook gedurende de dag varieert de concentratie van het schildklierhormoon in het bloed. Het tijdstip van de bloedafname kan dus technisch gezien van invloed zijn.
In de praktijk betekent dit dat een hond met een gezonde schildklierfunctie op een bepaald moment van de dag een te lage schildklierwaarde kan hebben. Maar dat wil niet meteen betekenen dat de hond een te traag werkende schildklier heeft.

Totaal T4: totaal thyroxine concentratie in het bloed

Om in de praktijk te voorkomen dat er een verkeerde diagnose wordt gesteld, is het advies om de schildklierwaarde (totaal T4) alleen te bepalen bij dieren met klachten die passen bij hypothyreoïdie.

De totale thyroxine concentratie in het bloed noemen we het totaal T4. Het is een goede screening test: 90% van de honden met hypothyreoïdie heeft een lage totaal T4 waarde. Ongeveer 10% heeft een laag-normale T4 waarde.

Vrij totaal T4

De meest gevoelige en betrouwbare bloedtest om de schildklierfunctie te bepalen is het vrije totaal T4. Deze test kost iets meer geld en kan niet bij elk laboratorium uitgevoerd worden. De sensitiviteit en specificiteit van deze test liggen boven de 90% waardoor de kans op vals positieve én negatieve uitslagen klein is.

TSH waarde

In combinatie met de TSH waarde kunnen we met meer zekerheid de juiste diagnose stellen (sensitiviteit en specificiteit stijgen tot 100% bij een laag totaal T4 of vrij totaal T4).

TSH staat voor thyreoïd (=schildklier) stimulerend hormoon. Als er te weinig schildklierhormoon (T4) in het bloed circuleert dan wordt er meer TSH afgegeven in de hersenen. Dit hormoon stimuleert de schildklier om meer schildklierhormoon te produceren. Bij een te traag werkende schildklier en te weinig schildklierhormoon verwachten we dus een hoge TSH waarde.

Helaas is de TSH waarde maar bij 65-75% van de honden met hypothyreoïdie verhoogd. Dat betekent dat 25-35%  van de honden mét hypothyreoïdie een normale TSH waarde heeft.

Het advies: welke testen zijn belangrijk?

Geen enkele test is 100% betrouwbaar.

Om de schildklierfunctie te beoordelen is het combineren van testen belangrijk. En misschien is het wel het allerbelangrijkste dat het plaatje moet kloppen.
De hond moet dus klachten hebben passende bij hypothyreoïdie. Alleen op basis van een lage T4 waarde kunnen we geen diagnose stellen!

Voor het stellen van de diagnose ‘hypothyreoïdie’ is het advies om de totaal T4 waarde (en/of vrij totaal T4) te bepalen samen met de TSH waarde én deze resultaten te beoordelen op basis van de klachten van de hond.

Wanneer klopt het plaatje?

Een typische hond met hypothyreoïdie is:

  • van middelbare leeftijd (gemiddelde leeftijd = 7 jaar)
  • een rashond
  • sloom
  • sneller moe
  • te zwaar ondanks geen veranderingen in voedselpatroon

Daarnaast hebben veel honden met hypothyreoïdie:

  • kaalheid (meestal op flanken, symmetrisch aan beide kanten)
  • bijkomende huidinfecties (en daardoor jeuk)
  • seborroe (droge of juist vette vacht en huid)

Minder voorkomende symptomen:

  • teef: onvruchtbaarheid / afwijkende loopsheid
  • myxoedeem (zorgt voor ‘tragische’ gezichtsuitdrukking)
  • hart- en vaatafwijking (o.a. trage hartslag)
  • afwijkingen aan spieren en zenuwen (kreupelheid, stijfheid)
  • oorontsteking
  • gegeneraliseerde demodicosis (demodex mijten)

Hormonale kaalheid

Bij meer dan 70% van de honden met hypothyreoïdie wordt hormonale kaalheid gezien. De kaalheid kan zich op twee manieren uiten:

  • Complete kaalheid (alopecia)
  • Verminderde beharing (hypotrichosis)

Bij symmetrische kaalheid van de flanken (zowel links als rechts) denken mensen meteen aan hormonale problemen zoals hypothyreoïdie of de ziekte van Cushing. Echter begint de kaalheid meestal niet op de flanken. Veel honden ontwikkelen kale plekken of dunne beharing op plekken die blootgesteld worden aan wrijving: staart, buik, achterzijde dijen en neusrug. Pas later ontstaat de typische kaalheid op de flanken.

Maar mijn hond heeft huidklachten én een te lage schildklierwaarde ...

Het komt regelmatig voor dat honden met huidklachten gediagnosticeerd worden met hypothyreoïdie terwijl de schildklier prima functioneert. Er wordt toch een lage schildklierwaarde gemeten en met schikdkliermedicatie knapt de hond zienderogen op. 

Wat is er aan de hand?

‘Sick Euthyreoid Syndroom’ – SES

We spreken van SES als een dier ziek is en de ziekte de uitslag van de schildkliertesten beïnvloed. De ziekte heeft echter meestal geen direct effect op de schildklier.

Hoe ernstiger de ziekte, hoe groter de veranderingen van de schildklierwaarde. Het vrije totaal T4 wordt minder beïnvloed door ziekte dan de totaal T4 waarde, de TSH waarde wordt zelden beïnvloed. Een lage T4 waarde bij een ziek dier kan dus voor een onterechte diagnose ‘hypothyreoïdie’ leiden.

Conclusie

Hypothyreoïdie is één van de meest voorkomende hormonale ziektes bij honden. Helaas is het stellen van de diagnose niet zo eenvoudig als het lijkt. Veel honden worden ten onrechte met schildkliermedicatie behandeld. Om deze reden is het belangrijk dat we de juiste testen aanvragen bij de juiste patiënten. Niet elke hond met kaalheid of elke slome hond met overgewicht heeft hypothyreoïdie.

© 2020 Huidadvies voor dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorspronkelijk gepubliceerd in 2018.

Pemphigus foliaceus bij de hond

Auto-immuun aandoening van de huid

Pemphigus is een van de auto-immuun aandoeningen van de huid die we bij honden en katten zien. Exacte getallen zijn niet bekend maar pemphigus foliaceus (PF) is één van de meest voorkomende auto-immuun aandoeningen.

Bij honden en katten kennen we vijf varianten:

  1. Pemphigus foliaceus (PF)
  2. Pemphigus erythematosus (PE)
  3. Panepidermale pustuleuze pemphigus (PPP)
  4. Pemphigus vulgaris (PV)
  5. Paraneoplastische pemphigus (PNP)

Van de vijf pemphigus varianten wordt PF veruit het meest gezien.

Ontstaan van de klachten

Auto-immuun aandoeningen ontstaan doordat het afweersysteem lichaamseigen cellen, -eiwitten of andere structuren aanziet voor lichaamsvreemd. Het immuunsysteem maakt antilichamen aan om de ‘vreemde’ structuur te markeren. Vervolgens kunnen speciale cellen van het immuunsysteem ze opruimen.

We weten niet precies waarom het lichaam eigen cellen of weefsels voor lichaamsvreemd aanziet. Er gaat iets mis waardoor het immuunsysteem abnormaal functioneert. Bij mensen en honden bestaat er een sterke genetische predispositie: we zien pemphigus foliaceus bijvoorbeeld vaker bij Akita’s en Chow Chows. Het lijkt erop dat dit foutje in de reactie van het afweersysteem terug te vinden is in de genen en aan nakomelingen overgedragen wordt.

Naast erfelijke factoren of foutjes in het DNA zijn infectieuze oorzaken(bv. virussen), (dier)geneesmiddelen in de breedte zin en chronische huidziekten genoemd als mogelijke triggers voor het ontstaan van pemphigus. Meestal is de precieze oorzaak van het ontstaan van pemphigus niet te achterhalen.

Wat gaat er mis op celniveau?

Het pemphigus-complex kenmerkt zich door de vorming van blaasjes of blaren die zich verder ontwikkelen tot pukkels (pustels) en korsten. De blaasjes worden gevormd doordat het afweersysteem specifieke eiwitten en structuren in de opperhuid aanvalt. Hierdoor laat de huid als het ware los en ontstaan er blaasjes of blaren. 

Op celniveau zijn huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) bij pemphigus niet meer goed met elkaar verbonden. Een karakteristiek verschijnsel van pemphigus foliaceus (PF) is ‘acantholyse‘. De dierenarts of dermatoloog kan met cytologisch onderzoek van de huid acantholytische cellen waarnemen. De dierenarts drukt met een objectglaasje op de huid (= het maken van een afdrukpreparaat) en kan zo de huidcellen onder de microscoop bekijken (= cytologisch onderzoek).

Acantholytische cellen zijn kenmerkend voor o.a. pemphigus foliaceus. Het zijn grote keratinocyten (huidcellen) met een grote celkern: ze zijn te vroeg losgelaten waardoor de celkern niet verloren is gegaan. Normale huidcellen zijn afgeplat en hebben een kleinere of afwezige celkern. Dode huidcellen zonder kern noemen we corneocyten.

In onderstaande simplistische illustratie zijn huidcellen afgebeeld. De rode en groene balkjes stellen desmosomen voor. Dit zijn speciale eiwitstructuren die huidcellen onderling met elkaar verbinden zodat er een stevige verbinding ontstaat. De opperhuid is immers de eerste afweer tegen indringers van buitenaf. Voor meerdere functies van de afweer en huid is dus erg belangrijk dat de huidcellen goed met elkaar verbonden zijn. 

Bij pemphigus foliaceus worden er antilichamen tegen desmosomen aangemaakt waardoor de cellen onderling loslaten. Binnen het pemphigus-complex zijn er verschillende varianten en dit heeft deels te maken met het type desmosoom dat als ‘target van de aanval’ dient. Bij de ene pemphigus valt het lichaam bv de rode balkjes aan en bij de andere de groene. 

desmosomen pemphigus

Symptomen

Wat zien we? – puistjes/pukkels (pustels), blaasjes (vesikels) korsten, erosies (schaafplekken), ulcers (zweertjes) en kaalheid. Soms hebben honden jeuk. Ze kunnen ook bijkomende huidinfecties ontwikkelen en daardoor lijken op allergische huidpatiënten.

Waar op het lichaam? – kop, aangezicht, oorschelpen, voetzooltjes. De huid rondom de ogen, op de neusrug en oorschelpen zijn het meest betrokken.

Afhankelijk van het ras, trigger en cyclische aard van de aandoening komen de symptomen lokaal of gegeneraliseerd voor. Als de symptomen over het hele lichaam gezien worden (gegeneraliseerd), kan het dier ook koorts hebben en sloom zijn. 

Omdat het in de opperhuid mis gaat, en de huid van honden relatief dun is (in vergelijking met mensen), zien we zelden blaasjes en pustels zeldzaam. Ze gaan snel kapot waardoor we meestal ‘epidermale collarettes’, schilfertjes en met name korsten zien. Epidermale collarettes zijn ronde kringen met kleine schilfers of korstjes. Een roodheid of een rode rand hoeft niet altijd gezien te worden. Op de foto rechts onder zijn twee epidermale collarettes te zien. Deze huidafwijking zien we zeer regelmatig bij bacteriële huidinfecties. 

collarette (geen copyright)

Toelichting enkele begrippen:

  • Pustel: ook wel puistje genoemd, het is een klein blaasje gevuld met cellen (soms een rode rand). De pustel ligt in de opperhuid. Ze kunnen witte bloedcellen of pus bevatten. We zien ze vaak bij immuungemedieerde aandoeningen of bacteriële huidproblemen.
  • Blaasje: ook wel vesikel genoemd, het is een klein blaasje gevuld met heldere vloeistof. Ze gaan snel kapot. We zien ze vaak bij immuungemedieerde of virale aandoeningen.
  • Erosie: oppervlakkig maar klein defect in de opperhuid (het basaalmembraan blijft intact)
  • Ulcer: defect in opperhuid die doorloopt tot in de lederhuid (het basaalmembraan is beschadigd)
  • Epidermale collarette: specifieke schilfering van de opperhuid. Meestal ontstaat de schilfering door het open barsten van een pustel of blaasje. Een veelvoorkomend kenmerk van een bacteriële huidinfectie.
  • Korst: ingedroogd materiaal afkomstig van bv. serum of pus

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt gesteld door weefselonderzoek (histopathologie) van huidbiopten. De dierenarts kan denken aan een auto-immuunaandoening als de klachten op oudere leeftijd zijn ontstaan, de huidklachten op specifieke plekken op het lichaam aanwezig zijn (voetzooltjes, oorschelpen), een allergie niet waarschijnlijk is of de hond slecht reageert op ingestelde behandelingen. Over het algemeen zullen er in de anamnese, het lichamelijk onderzoek en aanvullende testen (schimmelkweek, cytologisch onderzoek) aanwijzingen naar voren komen die wijzen richting een auto-immuunaandoening.

De dierenarts kan pemphigus foliaceus op meerdere manieren behandelen. Meestal werken combinatie-protocollen beter dan een mono-therapie waarbij men gebruik maakt van één medicijn of geneesmiddel.

Veel gebruikte medicijnen zijn:

  • Glucocorticosteroïden
  • Azathioprine
  • Chloorambucil
  • Doxycycline (antibiotica) en niacinamide (vitamine B3)
  • vitamine E
  • Essentiële vetzuren
  • Tacrolimus zalf/crème
  • Lokale glucocorticosteroïden

Het is belangrijk om gedurende de behandeling regelmatig voor controle bij de dierenarts langs te gaan. De symptomen van pemphigus foliaceus zien we ook bij oppervlakkige huidinfecties met bacteriën. Honden met een afwijkende functie van het afweersysteem en defecte huidbarrière zijn tevens gevoeliger voor het ontwikkelen van bacteriële huidinfecties.

Als het dier medicatie krijgt om de reactie van het afweersysteem aan te passen (remmen/onderdrukken) kan deze gevoelig worden voor infecties. Om deze redenen is het erg belangrijk om te blijven controleren of de huidplekjes niet door bacteriën veroorzaakt worden. Bijkomende huidinfecties dienen behandeld te worden waarbij antibioticaresistentie voorkomen moet worden (herhaaldelijk gebruik van antibiotica wordt dus afgeraden).

Prognose

De prognose is variabel en hangt van meerdere factoren af. De uitgebreidheid en ernst van de huidafwijkingen, respons op behandeling, tolerantie van de behandeling, kosten van de medicatie en monitoring/controles bepalen doorgaans het succes van de behandeling. De ervaring en kennis van de behandelaar speelt ook een rol. Sommige honden hebben een gereserveerde prognose en andere honden reageren goed op behandelingen en zijn lange periodes klachtenvrij. Meeste honden hebben levenslange behandeling nodig met één of meerdere geneesmiddelen, echter zien we af en toe complete genezing (als de afwijkende reactie van het afweersysteem door een medicijn getriggerd wordt en de behandeling tijdig gestart wordt). 

© 2020 Huidadvies voor Dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update jan 2020. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding: ESVD 29th Annual Congress, ESAVS Dermatology course III

Ontsmettende doekjes (wipes)

doekje

Behandeling van huidinfecties

Er bestaan veel verschillende soorten ziekteverwekkers. Huidinfecties kunnen door bacteriën, gisten of schimmels veroorzaakt worden. Niet elke infectie wordt op dezelfde manier behandeld. Tegenwoordig kunnen we gelukkig op meerdere manieren huidinfecties bij honden, katten en andere dieren behandelen. 

Er bestaan meerdere soorten bacteriële huidinfecties; oppervlakte, oppervlakkige en diepe infecties. Bij de behandeling heeft het gebruik van antibiotica sinds enkele jaren een andere plek gekregen. Antibiotica resistentie is natuurlijk één van de belangrijkste redenen hiervoor. Het is belangrijk dat we met z’n alle proberen zo min mogelijk antibiotica te gebruiken en hier verstandig mee omgaan. Het gebruik van antiseptische huidverzorgingsproducten is dan ook in opkomst.

Een andere veelvoorkomende huidinfectie is Malassezia dermatitis. De infectie wordt veroorzaakt door een overgroei van gisten waarbij er vrijwel altijd een onderliggende oorzaak te vinden is. Gisten zijn eencellige schimmels en worden meestal lokaal behandeld met een medicinale shampoo. Soms zijn orale anti-schimmel medicijnen nodig.

Lees meer over huidinfecties door bacteriën en gisten in het artikel “Huidinfecties bij de hond“.

Bij de behandeling van een dermatophytose (schimmelinfectie) is vaak een combinatie van lokale en systemische anti-schimmel middelen nodig. Gelukkig komen schimmelinfecties bij honden en katten niet vaak voor. Lees meer over dermatophytose in het artikel “Schimmelinfecties bij hond en kat“.

Alternatief voor antibiotica en andere medicatie

Naast antibiotica en anti-schimmel middelen bestaan er veel ingrediënten die tegen diverse micro-organismen ingezet kunnen worden. Voorbeelden van werkzame stoffen en ingrediënten zijn honing, chloorhexidine en azijnzuur. 

Er zijn verschillende soorten producten met antiseptische ingrediënten verkrijgbaar: shampoo, mousse, spray, zalf, gel, doekjes etc. Op deze pagina vind je een overzicht met ontsmettende doekjes. 

Ontsmettende doekjes

Wanneer kun je de doekjes gebruiken?

  • Ontstekingen van huidplooien (neus, staart, lip)
  • Reiniging van nagelbed, tussenteenhuid, oorschelp en kin van allergische honden met terugkerende huidinfecties
  • Kin acne bij hond of kat
  • Lipplooi eczeem bij de hond
  • Aanvullend op antibiotica behandeling van huidinfecties
  • Puppypyodermie: huidinfectie van de buik  bij puppies en jonge honden
  • Reiniging van gebied rondom vulva bij honden met urine incontinentie (voorkomen of behandelen van urinebrand) of overgewicht
  • Aanvullend op de behandeling van hotspots

Overzicht:

Maxani chloorhexidine doekjes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine 
  • Aloë vera
  • Glycerine
  • Benzoëzuur (E210)
  • Vitamine E
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties

*40 stuks per verpakking

Dermoscent® PYOclean wipes

Ingrediënten
  • Plantaardige olie van hennep
  • PhytoC-2® (plantenextract)
  • Essentiële olie van Cajputi
  • Allantoïne
  • Lipo-aminozuren van groene appels & extracten van zeepkruid (Saponaria wortel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en milde Malassezia dermatitis

*20 stuks per verpakking

Douxo® PYO pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • Phytosphingosine
  • Groene thee extracten
  • Parfum (zeer mild)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*30 stuks per verpakking

dermazyme pyo pads

Dermazyme® Pyo Chloorhexidine pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

dermazyme pyo microsilver pads

Dermazyme® Pyo Microsilver pads

Ingrediënten
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

malacetic wipes

MalAcetic wipes

Ingrediënten
  • Azijnzuur (2%)
  • Boorzuur (2%)
  • Propyleenglycol
  • Polysorbaat
  • Glycerine
  • Geurstof (appel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*100 stuks per verpakking

CLX wipes

CLX wipes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine
  • Tris-EDTA
  • Zinkgluconaat
  • Glycerine
  • Climbazol
  • Benzylalcohol
  • Propyleenglycol
  • Parfum
  • Gedemineraliseerd water
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*40 stuks per verpakking

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Schimmelinfecties bij hond en kat

schimmel microscopie

Dermatophytose

Dermatophytose is een oppervlakkige schimmelinfectie van de huid bij honden en katten. Veel mensen noemen deze huidaandoening ook wel ringworm. Deze naam komt van de klassieke huidafwijking die we bij mensen zien: een ronde, rode ‘ring’. 

Merendeel van de schimmelinfecties bij dieren worden veroorzaakt door Microsporum canis, Microsporum gypseum en Trichophyton soorten (spp.). Bij de kat wordt meer dan 90% van de infecties door M. canis veroorzaakt. Bij de hond zien we vaker problemen door M. gypseum en Trichophyton. Er zijn meer dan 20 dermatophytsoorten bekend bij hond en kat. Dermatophyten zijn schimmels die infecties van huid, haren of nagels veroorzaken. 

Hoewel we in de praktijk dagelijks huidpatiënten zien, komen schimmelinfecties bij hond en kat maar weinig voor. Ongeveer 0-4% van de dieren heeft hier last van. Er wordt dan ook tegenwoordig gezegd: “It is NOT ringworm until proven“.

Dieren kunnen een schimmelinfectie oplopen na direct contact met sporen die ín de vacht aanwezig zijn. Besmet raken via sporen in de omgeving is zeldzaam. Sporen in de omgeving vormen alleen een risico als de huid beschadigd is en de sporen via een object met de huid in aanraking komen (denk dan aan een borstel of scheerapparaat). Sporen van dermatophyten hebben namelijk keratine nodig om te overleven en kunnen niet zomaar aan de huid vasthechten. Keratine is een eiwit van het lichaam dat onder andere in de opperhuid, nagels en haren van mens en veel diersoorten voorkomt.

Risicofactoren

  1. Leeftijd: zowel jonge als oude dieren zijn meer gevoelig voor het oplopen van schimmelinfecties
  2. Vachtconditie: slechte vachtverzorging bij langharige katten maakt ze gevoeliger voor schimmelinfecties (de sporen worden niet goed uit de vacht verwijderd). Dit geldt ook voor dieren met vilt of klitten
  3. Verlaagde afweer: door een onderliggende aandoening, willekeurige ziekte, andere omstandigheden (bv. dracht) of immuunonderdrukkende medicatie (zoals prednisolon) 
  4. Landelijke omgeving / ‘life style’: deze dieren hebben vaker kleine huidbeschadigingen of worden direct blootgesteld aan besmette dieren (wilde knaagdieren) of objecten
  5. Parasieten van de huid (vlooien, mijten), jeuk en andere huidinfecties: door microtrauma van de huid neemt de gevoeligheid voor dermatophytose toe
  6. Warmte en vochtigheid: predisponeren voor schimmelinfecties
  7. Kennel, cattery, honden- of kattenshow, pension, uitlaatservice: maar ook andere plekken waar honden of katten veel met elkaar in contact komen, zij hebben een groter risico

Zoönose

Dermatophytose is een zoönose. Alle genoemde dermatophyten kunnen de mens infecteren.
Het is echter geen ernstige ziekte voor de mens (of dier) en het is gelukkig ook niet ongeneselijk!

Bij mensen zien we vaker schimmelinfecties door een verminderde afweer (kinderen, ouderen, chronisch zieke personen). De schimmel dringt de buitenste laag van de huid binnen, groeit daar en vormt sporen. Via de sporen kan de infectie zich verspreiden (ook naar andere personen of zelfs dieren). De schimmel veroorzaakt een typische rode, ronde ring die vaak steeds groter wordt. De huidplek geneest vanuit het midden en gaat uiteindelijk vanzelf weer weg. Bij mensen met een verminderde afweer kan de infectie heviger zijn en meer klachten met zich mee brengen. De genezing duurt dan vaak ook langer doordat het afweersysteem niet goed functioneert.

Lees meer over ringworm bij mensen op de website van het RIVM

Hoe ontstaan de klachten?

Een hond of kat raakt besmet met dermatophyten na direct contact met schimmelsporen. Dit kan op twee manieren gebeuren: via een besmet dier of via zogenaamde ‘fomieten’. Fomieten zijn objecten die pathogenen overbrengen. Bijvoorbeeld: dekentjes, mandjes, borstels of kooien. 

Een gezond dier krijgt niet zomaar ringworm. De huid moet beschadigd zijn alvorens de schimmelsporen zich kunnen vasthechten en koloniseren. 

Na direct contact met de sporen, zullen deze binnen 12 uur ‘ontkiemen’ en binnen 24 uur zijn de sporen de haar of huid binnengedrongen via speciale vezeltjes (‘fibrils’). Meeste schimmelinfecties zijn zelflimiterend. Het afweersysteem van de hond of kat ruimt de indringer op via een ontstekingsreactie en versnelde celdeling van de opperhuid (keratinisatie). Dermatophyten hebben echter de nare eigenschap om de reactie van het afweersysteem te omzeilen of aan te passen. Het lichaam kan de infectie niet klaren en het dier wordt ziek. 

We zien schimmelinfecties daarom vooral bij dieren waarbij het afweersysteem verzwakt is (jonge, oude of zieke dieren). 

Symptomen

Hond

Schimmelinfecties bij de hond gaan gepaard met verlies van haren. De schimmelsporen tasten de haren aan waardoor deze afbreken en het dier kaal lijkt te worden.

De kaalheid (alopecia) kan gepaard gaan met:

  • schilfers
  • korstvorming
  • roodheid van de huid
  • verdikking van de huid (lichenificatie)
  • zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie)

Over het algemeen heeft de hond meerdere kale plekken. Deze kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn. Bij kortharige honden met ronde kale plekken (niet symmetrisch) moeten we ook denken aan een bacteriële huidinfectie of demodicosis (mijten). 

Een hond met ringworm hoeft niet perse jeuk te hebben. Dit is eerder een uitzondering dan de regel, het hangt ook af van de soort schimmel waarmee het dier besmet is.

folliculitis hond
plek met schilfers en korsten

Kat

De symptomen bij een kat worden deels bepaald door de algehele gezondheid van de kat. Een kat met een hele heftige schimmelinfectie heeft dus eigenlijk meer last van de onderliggende ziekte dan de schimmel zelf. 

Bij de kat kennen we drie soorten infecties:

  • Simpele infectie
    Gezonde katten of kittens met beperkte en milde klachten. Genezen ook snel met of zonder behandeling. 
  • Gecompliceerde infectie
    Katten met uitgebreide klachten en een onderliggende ziekte (meestal voorste luchtweg problemen zoals niesziekte). Ze hebben vaak lange haren en huidontstekingen. Katten met gecompliceerde infecties zijn moeilijker te behandelen; het duurt vaak lang en recidieven komen voor.
  • Dragers
    Katten (vaak langharige) die sporen met zich meedragen maar zelf geen klachten hebben. Ze worden ook wel ‘stof moppen’ genoemd. 

Het kan lastig zijn om een schimmelinfectie te diagnosticeren. De klinische klachten zijn zeer variabel. Sommige katten hebben milde en aspecifieke klachten, terwijl andere hele heftige symptomen vertonen.

Ook bij de kat gaat een schimmelinfectie gepaard met verlies van haren (ze breken af). Andere mogelijke symptomen:

  • Kaalheid, met name op kop, oren en poten
  • Afgebroken haren
  • Schilferige huid
  • Roodheid
  • Hele fijne schilfering in de vacht (‘sigaretten as’)
  • Feline Acne
  • Korstvorming

Sommige katten hebben klachten die passen bij een vlooienallergie (miliaire dermatitis: kleine korstjes) of hebben last van symmetrische alopecia. 

kat met schimmel
Korstvorming op de neus
korstjes in aangezicht kat
Kleine wondjes in het aangezicht

Raspredispositie

  • Perzisch langhaar (Pers) (M. canis)
  • Jack Russel Terriër (M. gypseum via wilde knaagdieren)
  • Yorkshire Terriër (M. canis)

Daarnaast worden schimmelinfecties vaker bij zwerfkatten en jachthonden gezien.

Diagnose

Ringworm bij de hond of kat gaat niet gepaard met symptomen die alleen bij schimmelinfecties gezien worden. Zogenaamde pathognomonische huidafwijkingen ontbreken. Vandaar dat er ook gezegd wordt dat een dier pas een schimmelinfectie heeft als dit bewezen is. 

Maar hoe wordt de diagnose gesteld?

Er is geen gouden standaard test en specialisten adviseren om de diagnose met behulp van meerdere testen te stellen. In de praktijk maken de meeste dierenartsen gebruik van een schimmelkweek. Deze testen zijn mogelijk:

  • Microscopisch onderzoek van een haarpluksel (trichogram) en huidafkrabsel
  • Schimmelkweek
  • PCR schimmeltest
  • Huidbiopt(en)

Tot slot kan de dierenarts of dermatoloog de Woodse lamp gebruiken als hulpmiddel. Elk onderzoek heeft z’n nadelen. Een betrouwbare uitslag begint tevens bij representatief genomen monster en de ervaring/kennis van de dierenarts. Op de website van VdQd staat heel mooi beschreven waar het in de praktijk fout kan gaan.

Klik op onderstaande kopjes om meer te lezen.

De beste manier om materiaal te verzamelen voor microscopisch onderzoek is de combinatie van haarpluksels en afkrabsels van verdachte huidplekjes. Het vinden van schimmelharen, sporen of hyfen is niet moeilijker dan het microscopisch onderzoek van mijten, bacteriën of gisten. Het vergt echter wel ervaring en kennis van de dierenarts. Met dit onderzoek kan de dierenarts níet bepalen om welke schimmelsoort het gaat.

Door de haren en huidmonsters onder de microscoop te bekijken, kan de dierenarts (mét ervaring) schimmelsporen, hyfen of schimmelharen detecteren. Het vinden van schimmelharen is diagnostisch voor een schimmelinfectie. Samen met huidbiopten is dit enige test waarbij men direct de schimmelinfectie kan waarnemen.

Er wordt geadviseerd om de geïnfecteerde haren te gebruiken voor een schimmelkweek zodat de schimmelsoort gedetermineerd kan worden.  

Bij een schimmelkweek neemt de dierenarts ook monsters van verdachte huidplekjes (haren, schilfers, huid), het liefst aan de rand. Het verkregen materiaal wordt op een speciale groeiplaat aangebracht en kan direct in de praktijk op kweek gezet worden. De dierenarts kan er ook voor kiezen om het monster op te sturen naar een extern laboratorium. Daar zullen getrainde en ervaren laboranten de monsters ‘incuberen’ en beoordelen. 

Dit onderzoek is de enige manier om te beoordelen om welke schimmelsoort en -stam het gaat. Meestal zien we binnen 10-14 dagen groei van witte platte koloniën. Als er gebruik gemaakt wordt van een DTM (Dermatophyte Test Medium) dan hoort er ook een kleuromslag waargenomen te worden (van geel naar rood). 

Het is mogelijk dat de test geen betrouwbare uitslag geeft. De test kan vals negatief zijn als er zgn. saprofieten of andere schimmel op de plaat groeien. Zij zijn minder selectief en benutten alle voedingsstoffen uit de groeiplaat waardoor de ware dermatophyten niet zullen groeien. De test kan ook vals positief zijn. Dit heeft meestal te maken met het aflezen van de test of besmetting via objecten uit de omgeving. 

PCR onderzoek voor dermatophytoses is een relatief nieuwe testmogelijkheid. Het grootste voordeel van deze test is dat de uitslag binnen enkele dagen bekend is, in tegenstelling tot de schimmelkweek waarbij het 1-2 weken duurt. 

De PCR test bepaalt of er DNA van schimmels aanwezig is in het opgestuurde monster (meestal haren). In feite zegt de uitslag van de test niet dat de huidplekjes perse door een schimmel veroorzaakt worden. 
Veel dermatologen maken daarom nog steeds gebruik van een schimmelkweek i.c.m. microscopisch onderzoek. 

Het nemen van huidbiopten voor de diagnose van een schimmelinfectie is bij meeste gevallen niet nodig. Het diagnosticeren van een schimmelinfectie via een huidbiopt gebeurt vaak bij ongewone of zeldzame infecties. 

Hoe zit het dan met de Woodse lamp?
Op het jaarlijkse Europese dermatologie congres (’19) heeft dermatoloog en schimmelexpert Moriello uitgelegd hoe deze lamp werkt en dat het als hulpmiddel gebruikt kan worden. De nadruk in diverse lezingen lag op het feit dat het géén diagnostische test is en dus niet gebruikt kan worden om de diagnose te stellen.

De Woodse lamp is niet perse hetzelfde als een gewone UV lamp of ‘blacklight’. Om een dergelijke lamp voor medische doeleinden te gebruiken, moet de lamp aan een aantal ‘eisen’ voldoen: golflengte van de UV stralen moet tussen de 320 en 400 nm liggen, de lamp moet zonder batterijen functioneren (op stroom) en bij voorkeur een vergrootglas hebben. 

Het onderzoek moet plaatsvinden in een donkere kamer en de Woodse lamp moet dicht op de huid gehouden worden voor een betrouwbare uitslag. Niet alle schimmelsoorten fluoresceren met de Woodse lamp. Als het dier een Microsporum canis infectie heeft dan kleuren de haren appeltjes groen (fluoresceren). Bij onbehandelde dieren kleuren de haren in 90% van de gevallen op.
Maar er zijn meer dingen die fluoresceren, denk aan korstjes en schilfers, zalfjes, talg. Het is dus belangrijk dat de onderzoeker (vaak een dierenarts) weet waar hij/zij naar moet kijken en wanneer de Woodse lamp werkelijk positief is. De fluorescerende haren kunnen gebruikt worden voor een schimmelkweek en microscopisch onderzoek. Pas bij het zien van sporen, hyfen of schimmelharen én een positieve schimmelkweek is de diagnose dermatophytose gesteld. 

Behandeling

De behandeling van schimmelinfecties is een nachtmerrie voor elke dierenarts, dierprofessional en diereigenaar. Bij mensen is een schimmelinfectie in meeste gevallen met een antischimmelzalf te genezen. Bij dieren, met name katten, is dat een ander verhaal.

De behandeling is dan ook multimodaal en bestaat o.a. uit ‘quarantaine’, schoonmaken, lokale behandeling, systemische behandeling en monitoring. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorontsteking: PPSP systeem

Oorontsteking: topje van de ijsberg

Een oorontsteking is een pijnlijke en vervelende aandoening die we regelmatig bij honden zien. Bij katten zien we minder vaak oorproblemen. Dieren met een oorontsteking hebben vaak pijn en schudden met de kop of klapperen met de oren. De oorschelp en gehoorgang kan rood of ontstoken zijn en de oren zijn vaak vies (oorsmeer of pus). Als er een bijkomende infectie met gisten of bacteriën aanwezig is, dan stinkt het oor(smeer) meestal. 

Voor veel mensen lijkt een oorontsteking een simpel probleem: ontsteking of infectie → zalfje → probleem opgelost. Echter is niets minder waar, het is het topje van de ijsberg. Bij terugkerende of chronische oorontstekingen is er áltijd een onderliggend probleem. In het artikel Oorontsteking bij de hond kun je meer lezen over symptomen, oorzaken, bijkomende infecties en plan van aanpak bij chronische oorproblemen.

Om het probleem goed in kaart te brengen, wordt er al jaren geadviseerd om via het PPSP systeem te werken. Ook zijn er een aantal stappen die doorlopen moeten worden:

Stap 1: Anamnese + Signalement
Stap 2: Lichamelijk onderzoek
Stap 3: Cytologisch onderzoek
Stap 4: Behandeling van de ontsteking en eventuele infectie
Stap 5: Onderliggende oorzaak onderzoeken 

Het PPSP systeem is niet bij alle dierenartsen bekend maar staat wel in de KNMvD Richtlijn Otitis Externa bij hond en kat beschreven. Ook op nascholingen wordt er steeds meer aandacht aan dit systeem besteedt. 

Belangrijke factoren

Om een hond met terugkerende of chronische oorproblemen goed te kunnen behandelen is het noodzakelijk om het probleem zorgvuldig en systematisch in kaart te brengen. Dit doen we door middel van het PPSP systeem. Bij elke hond beoordelen we welke factoren aanwezig zijn. Bij de behandeling zullen we dan al deze factoren moeten behandelen. Een simpele behandeling met oorzalf is meestal niet afdoende.

Lees hieronder meer over de afzonderlijke factoren. 

Predisponerende factoren zijn factoren die het oor gevoeliger maken voor ontsteking (dankzij primaire factoren). Op zichzelf veroorzaken zij géén ontsteking. 

– Anatomie

  • Haren in de gehoorgang
  • Vernauwde gehoorgang (Shar-pei, Chow Chow, brachycephale rassen zoals Engelse bulldog)
  • Hangende oren
  • Harige binnenzijde oorschelp (Cocker Spaniël)

– Temperatuur en luchtvochtigheid

  • Omgeving (warmte en hoge luchtvochtigheid)
  • Regen of zwemmen

Primaire oorzaken zijn factoren die direct een oorontsteking veroorzaken (in gezonde oren).

  • Parasieten (mijten)
  • Allergieën (voedsel, omgeving)
  • Vreemd voorwerp (grasaar)
  • Hormonale problemen (te trage schildklier, Cushing, verstoring van geslachtshormonen)
  • Auto-immuun ziektes (pemphigus foliaceus, lupus erythematosus)
  • Keratinisatie- of talgklierstoornissen (primaire seborroe, sebaceous adenitis)
  • Obstructieve problemen (poliep of tumor)

Secundaire factoren zijn factoren die in een niet-gezonde gehoorgang de klachten (ontsteking) kunnen verergeren. In de praktijk ligt de focus meestal op het wegnemen van secundaire factoren. Ook deze factoren veroorzaken in de regel géén klachten bij gezonde dieren.

  • Infecties
    Bacteriën of gisten. 
  • Reactie op ‘medicatie’
    Irriteren de ontstoken huid; bv. alcohol, zure middelen (lage pH), propyleenglycol
  • ‘Overcleaning’
    De huid blijft te vochtig en verweekt. De gehoorgang kan beschadigd raken door wattenstaafjes of onkundig handelen (trauma). 

Perpetuating ofwel bestendigende factoren zijn factoren die de ontsteking in stand houden en/of verergeren en genezing voorkomen. We zien deze factoren bij chronische oorontstekingen. Zonder onderliggende oorzaak zijn deze factoren ook niet aanwezig. 

Door de chronische ontsteking veranderen de volgende aspecten:

  • Bovenste laag van de huid (epitheel)
  • Gehoorgang
  • Trommelvlies
  • Klieren

Wat zien we in de praktijk?
Als gevolg van de ontsteking zullen de opperhuid en lederhuid dikker worden en het zelfreinigende mechanisme verstoord raken. Hierdoor wordt er meer oorsmeer geproduceerd en ontstaat er een ophoping van vuil en oorsmeer in de horizontale en verticale gehoorgang. Als gevolg van blijvende of herhaalde toediening van medicatie kan er een contactallergie of -dermatitis ontstaan (zie ook secundaire factoren). 

Niet alleen is de huid ontstoken maar ook de cerumen- en talgklieren en haarzakjes gaan mee doen. Hierdoor verergeren de klachten en wordt genezing bemoeilijkt. Door de chronische ontsteking wordt de diameter van de gehoorgang steeds smaller waardoor de situatie alleen maar erger wordt. Bij veel honden met een chronische oorontsteking raakt het trommelvlies beschadigd of geperforeerd. Een middenoorontsteking zien we dan ook bij een relatief groot percentage van de honden met een chronische oorontsteking.

Door de verkalking en verbening van het kraakbeen en gehoorgang an sich heeft het dier continu pijn. Dit is het eindstadium van een chronische oorontsteking. Vaak zit er in dat stadium niets meer op dan de gehele gehoorgang operatief te verwijderen. 

Wat te doen bij een chronische oorontsteking?

Bij terugkerende oorproblemen of niet-genezende oorontsteking is het verstandig om het probleem goed aan te pakken. Ik zie regelmatig dat er geen écht plan is en dat de focus op het behandelen van de infectie (secundaire factor) ligt terwijl het probleem dus veel complexer is. 

Vraag de dierenarts om advies zodat het onderliggende probleem (primaire factor of oorzaak) achterhaald kan worden. Kom je er bij de dierenarts niet uit? Vraag dan verwijzing naar een dermatoloog

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Het afweersysteem en atopie

bakstenen muur

Atopie

Atopie beschrijft bij de mens een aantal aandoeningen waarbij het immuunsysteem overdreven reageert op stofjes die niet schadelijk voor het lichaam zijn (zoals pollen en huisstofmijten). Mensen met atopie hebben een aanleg voor het ontwikkelen van eczeem, astma of hooikoorts. De overdreven reactie van het afweersysteem noemen we een allergische reactie en ontstaat na blootstelling aan allergenen via de huid of na inademing. Bij dieren spreken we vaak van een omgevingsallergie in plaats van atopie. Veel mensen noemen het voor het gemak “hooikoorts” maar eigenlijk is dit geen terechte benaming.

Atopie bij honden is vergelijkbaar met atopie bij mensen. Bij atopische honden zien we voornamelijk huidklachten met jeuk en bijkomende huidinfecties. Atopie komt ook bij katten voor, zij hebben net zoals de hond vooral last van huid- en jeuk klachten. Echter zijn er ook veel katten met allergische astma.

Pas in de jaren 70 zijn we steeds meer te weten gekomen over atopie bij de hond. Onze kennis over allergische huidklachten bij de kat is nog steeds beperkt.   

Atopie is een complexe huidaandoening die ontstaat door meerdere factoren. In essentie zien we een ontregeling van de afweerreactie, allergische sensibilisatie, een defecte huidbarrière, microbiële kolonisatie en invloed van omgevingsfactoren. In dit artikel zal ik de ontregeling van het afweersysteem toelichten.

Het afweersysteem

Het afweersysteem wordt ook wel ‘de weerstand’ of het immuunsysteem genoemd. De primaire taak van dit systeem is het lichaam verdedigen tegen mogelijke bedreigingen. Indringers zijn bijvoorbeeld potentiële ziekteverwekkende micro-organismen (bacteriën, gisten, schimmels) en virussen. Het afweersysteem ruimt ook afvalstoffen en zieke lichaamscellen (zoals kankercellen) op. Maar ook bij trauma (het stoten van je knie of verzwikken van je enkel), wondgenezing en operaties of andere ‘onnatuurlijke’ ingrepen komt de afweer de hoek om kijken.

Niet elke indringer lokt eenzelfde type afweerreactie uit. Het immuunsysteem kan tijdens het bestrijden van de indringer(s) schade toebrengen aan het lichaam. Deze schade moet beperkt worden, ofwel er moet een balans zijn!
De balans tussen bescherming van het lichaam en door de afweer veroorzaakte schade kan verstoord zijn door ziekte, tumoren, een allergie of auto-immuun probleem. Bij auto-immuunaandoeningen werkt de afweer verkeerd en allergische dieren hebben een te sterke afweerreactie (schiet z’n doel voorbij).

In het onderstaande filmpje wordt de afweerreactie en werking van het afweersysteem toegelicht. Het filmpje gaat dan wel over chronische darmziekte bij de mens maar is vergelijkbaar bij huid- en darmproblemen bij honden en katten!

Componenten van het afweersysteem

Het immuunsysteem is niet één ding. Het afweersysteem bestaat uit meerdere componenten en ‘subdivisies’. We maken in ieder geval een onderverdeling tussen de aangeboren en verkregen afweer.

Aangeboren afweer

De aangeboren afweer wordt ook wel de ‘niet-specifieke afweer’ genoemd. Dieren worden er mee geboren: het is een snelle respons van het lichaam tegen potentiële gevaren. Máár de reactie is niet specifiek of nauwkeurig. Het lichaam herkent de ziekteverwekkers met een kleine hoeveelheid antennes (receptoren) maar de eerste afweerreactie is niet specifiek tegen één ziekteverwekker gericht en slaagt er daarom niet altijd in om de ziekteverwekker te elimineren. Vaak remt de eerste afweer de mogelijke ziekteverwekkers zodat het verkregen afweersysteem vervolgens in actie kan komen.

De niet-specifieke afweer omvat de eerste en tweede verdedigingslinie. De eerste verdediging bestaat uit diverse (fysieke) barrières en afweermechanismen zoals niezen of hoesten. Bij een barrière kun je denken aan de vacht, de huid en huidbarrière, traanvocht en maagzuur. 
De tweede lijn van de verdediging is een ‘ingebakken’ systeem dat ervoor zorgt dat het afweersysteem snel kan reageren op bacteriën en virussen die het lichaam binnendringen. Binnen de tweede verdedigingslinie bestaan er meerdere manieren om af te weren: fagocytose (witte bloedcellen kunnen ziekteverwekkers ‘opeten’), anti-microbiële peptiden (eiwitten die tegen bacteriën werken) en natural killer cellen (NK-cellen). De ontstekingsreactie van witte bloedcellen is één van de belangrijkste onderdelen.

Verkregen afweer

De verkregen afweer ontwikkelt zich in een later stadium gedurende het leven. Dit deel van het immuunsysteem bestaat uit een cellulaire en humorale respons. De verkregen afweer wordt ook wel ‘verworven’ of ‘specifieke afweer’ genoemd.

De reacties van dit deel van de afweer zijn specifiek gericht tegen bepaalde ziekteverwekkers. Het lichaam komt bijvoorbeeld in aanraking met het parvovirus (hond) of calicivirus (kat) en door een cascade aan reacties maakt het lichaam antilichamen tegen deze virussen aan. Bij herhaalde blootstelling is de afweer dan in staat om sneller en heviger te reageren (‘afweer opbouwen’ door middel van geheugencellen).

De cellulaire respons is gericht tegen geïnfecteerde lichaamscellen. De humorale respons is gericht tegen ‘antigenen’ door de productie van antilichamen.
Lymfocyten zijn een belangrijk onderdeel van het verworven immuunsysteem. Het zijn speciale witte bloedcellen die het lichaam verdedigen. Er bestaan meerdere soorten met elk een eigen specifieke functie (bv. T-cellen en B-cellen). Met name de T-lymfocyten (T-cellen) spelen een grote rol bij problemen met de afweer (atopie, demodicosis).

Waar gaat het bij een allergie mis?

Bij allergische dieren maakt het afweersysteem van een mug een olifant én functioneren niet alle onderdelen van het gehele afweersysteem naar behoren. 

Huidbarrière

De huidbarrière bestaat uit meerdere onderdelen waarbij de vetlaag tussen de huidcellen een groot aandeel heeft. Voor het gemak wordt de huidbarrière vaak vergeleken met een bakstenen muur met cement. De bakstenen zijn de huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) en het cement is de vetlaag ertussen. De combinatie zorgt ervoor dat ziekteverwekkers en andere indringers de huid niet kunnen penetreren en vocht niet kan uittreden (voorkomt uitdroging van de huid). Het is een waterafstotende en goed afsluitbare barrière. 

Bij honden met atopie, en waarschijnlijk ook katten, is de bakstenen muur met cement niet goed gevormd. Vocht treedt uit en allergenen dringen de huid binnen. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd op 19 juli 2017

Kleurmutant alopecia

Color dilution alopecia (CDA)

Kleurmutant alopecia (Color dilution alopecia, CDA) is een huidaandoening die we uitsluitend bij rassen met verdunde kleuren zien. Verdunde kleuren zijn blauw, champagne, charcoal, zilver en fawn (licht geel/bruin). 

Honden met CDA ontwikkelen op den duur kaalheid zonder jeuk en kunnen ten onrechte gediagnosticeerd worden met hormonale kaalheid.

Black Hair Follicle Dysplasia (BHFD)

Kleurmutant alopecia komt dus alleen voor bij honden met een bepaalde vachtkleur. Bij honden met een zwarte vacht zien we echter een vergelijkbare aandoening: Black Hair Follicle Dysplasia

Follicle betekent haarzakje (follikel) en dysplasie verwijst naar een afwijking in de vorm. BHFD veroorzaakt klachten van de zwarte haren doordat er iets mis gaat in de haarzakjes. 

Pigment en verdunde kleuren

Er zijn bepaalde cellen in het lichaam die voor de productie van pigment zorgen, de melanocyten. Pigment wordt ook wel melanine genoemd, niet verwarren met het hormoon melatonine.

Melanine geeft de kleur aan de huid en haren. Er zijn twee pigmentsoorten: eumelanine geeft een zwarte of bruine kleur en pheomelanine een rode-gele kleur. Witte dieren missen pigment. Vachtkleur en variaties hierin worden bepaald door veel erfelijke factoren en genen.

De verdunde kleuren, blue en fawn, zijn het gevolg van het verdunningsgen (MPLH gen). Dit gen verdunt alle kleuren en wordt ook wel D-locus genoemd. Het MPLH gen is verantwoordelijk voor de sterkte van de vachtkleur en bepaalt de verdeling van de cellen die melanine bevatten.

Op de website van Combibreed kun je meer lezen over vachtkleuren en variaties hierin. 

Hoe ontstaan de klachten?

Bij honden met kleurmutant alopecia en BHFD gaat het mis bij de aanmaak van melanine (pigment). Ook het transport en opslag van melanine is afwijkend.

Het gevolg is dat er zgn. ‘macromelanosomen’ gevormd worden. Er worden ook giftige stofjes geproduceerd die de haarschacht beschadigen. Macromelanosomen zijn bij elkaar geklonterde melanosomen; een melanosoom is het deel van de cel waar de aanmaak, opslag en transport van melanine plaatsvindt.

In principe hebben alle blauwe haren bij elkaar geklonterde melanosomen, als ze dit niet zouden hebben zouden de haren namelijk zwart zijn. Het aantonen van deze macromelanosomen betekent niet per definitie dat de hond CDA heeft. Normale haren kunnen ook groepjes melanosomen hebben. Zo heeft bijvoorbeeld elke Weimaraner macromelanosomen.

Bij kleurmutant alopecia zorgen macromelanosomen voor de verwoesting van het buitenste laagje van de haren (de cuticula). Dat is kenmerkend voor kleurmutant alopecia en zorgt ervoor dat de haren afbreken. In het begin lijkt de vacht dunner behaard en later kan er complete kaalheid (alopecia) ontstaan.

Symptomen

De eerste symptomen van klassieke CDA zien we bij jong en jong-volwassen honden, vaak zijn de honden jonger dan één jaar. Naarmate ze ouder worden zullen de klachten meestal verergeren.

Meest voorkomende symptomen zijn:

  • kaalheid
  • slechte vachtconditie (doffe vacht)
  • droge of schilferige huid

Een andere veel voorkomende klacht is het ontstaan van een bacteriële huidinfectie. De haren vallen dan in rap tempo uit door de ontsteking en infectie van de haarzakjes. De hond kan ook last hebben van rode pukkeltjes en jeuk of een toename van schilfers. Soms zien we mee-eters (comedones).

Slechte vachtconditie, mee-eters en dunne vacht
Chihuahua met verdunde vachtkleur

Raspredispositie

Enkele rassen zoals de Dobermann, Dashond (teckel), Duitse Dog, Whippet en windhond maar ook de Ierse Setter zijn gepredisponeerd. In de praktijk zien we ook veel Chihuahua’s en Yorkshire terriërs met deze aandoening.
In Nederland zien we kleurmutant alopecia vaker bij:
– Berner Sennenhond
– Chihuahua
– Chow Chow
– Dashond (Teckel)
– Dobermann
– Ierse Setter
– Poedel (middenslag)
– Whippet
– Yorkshire terriër

Diagnose

De diagnose van kleurmutant alopecia stellen we op basis van de bevindingen van een trichogram en huidbiopten. Een trichogram wordt ook wel ‘haarwortelonderzoek’ genoemd. Hierbij nemen we een plukje haren en bekijken deze onder de microscoop. Het zien van een ophoping van pigment in de haren met schade aan de buitenste laag van het haar is zeer suggestief voor kleurmutant alopecia.

Het ras en de kleur van de vacht in combinatie met de klachten doet vaak al aan kleurmutant alopecia denken. Het is aan te raden om hormonale aandoeningen uit te sluiten, zeker bij twijfelgevallen.

Behandeling

Honden met CDA en BHFD kunnen we niet genezen. In principe is er ook geen behandeling noodzakelijk. Het wordt gezien als een cosmetische aandoening, d.w.z. de hond zelf heeft er geen last van maar het uiterlijk is wel aangetast.

Er bestaan tevens vrij weinig mogelijkheden om de haargroei te stimuleren. Bij andere cosmetische of kalende aandoeningen zonder jeuk is melatonine een veelgebruikte medicijn om de haargroei te bevorderen (bv. bij seizoensgebonden kaalheid). Bij kleurmutant alopecia heeft dit echter weinig zin. 

Bij honden met CDA is ondersteuning van de huid en resterende haren belangrijk. Er zijn meerdere manieren om dat te doen:

Bijkomende huidinfecties kunnen meestal met lokale behandeling verholpen worden. In enkele gevallen zal systemische behandeling met antibiotica nodig zijn. Meestal wordt er een antiseptische shampoo voorgeschreven. Tegenwoordig kunnen we huidinfecties ook behandelen met droogshampoos (mousse) of sprays. In mijn webshop kun je een overzicht van geschikte producten terugvinden. 

Een dunne vacht van mindere kwaliteit beschermt minder goed. Honden met kleurmutant alopecia zijn gevoeliger voor zonnebrand en huidkanker.

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste versie sept 2019. Oorspronkelijk gepubliceerd op 23 juli 2017

Allergie gevoelige rassen

Allergische huidklachten

Huidallergieën zien we al jarenlang regelmatig bij honden en katten. We maken hierbij een onderscheid tussen vlooienallergie, voedselgerelateerde jeuk (voedselovergevoeligheid) en omgevingsallergie (atopische dermatitis, Feline Atopie Syndroom).

 In Nederland heb ik maar weinig honden met een vlooienallergie gezien, terwijl in Amerika dat de meest voorkomende huidaandoening bij honden is.
Zo’n 10 tot 15 procent van de honden lijkt last te hebben van atopische dermatitis (omgevingsallergie). Voor voedselovergevoeligheid zijn er geen exacte getallen bekend. Het lijkt erop dat voedsel een rol speelt bij 1 tot 2 procent van de honden die bij de dierenarts komt. Bij honden met huidproblemen kan het oplopen tot 24% en van de honden met jeuk kan tot 40% een negatieve reactie op iets in de voeding laten zien.

Bij katten zien we dat veruit de meeste huidklachten en jeuk door parasieten, bv. vlooien(allergie) worden veroorzaakt. Er zijn veel minder onderzoeken over de incidentie van huidallergieën bij de katten.
Feline Atopie Syndroom (omgevingsallergie) lijkt niet vaak voor te komen bij katten; waarschijnlijk heeft maar 1% van de katten hier last van. Bij katten met jeuk en huidklachten liggen de percentages tussen de 12,5 en 30%. Voedselovergevoeligheid wordt minder vaak gezien: van de katten met huidproblemen lijkt bij 3 tot 6% voeding de oorzaak. Bij katten met jeuk heeft 12-21% last van voedselovergevoeligheid. Mijn ervaring is dat het percentage hoger ligt. Ik zie regelmatig katten met huid-, jeuk en maag-darm klachten waarbij voeding uiteindelijk voor verbetering van de klachten zorgt.

Genetische predispositie

Huidallergieën zijn complexe aandoeningen waarbij verschillende type overgevoeligheidsreacties en factoren voor klachten zorgen.

Bij honden met een omgevingsallergie weten we dat genetische aanleg een belangrijke oorzaak is voor het al dan niet ontwikkelen van klachten. Maar dit is zeker niet de enige oorzaak! 
De dermatologen van het Medisch Centrum voor Dieren hebben een stukje over erfelijkheid en atopie geschreven.

Hieronder kun je een overzicht met allergie gevoelige rassen zien.

Deze lijst is samengesteld op basis van meerdere wetenschappelijke onderzoeken (wereldwijd) en mijn ervaring als dermatologie-dierenarts. Naast de onderstaande elf hondenrassen zijn er nog veel meer rassen waarbij atopische dermatitis vaker wordt gezien. Voor voedselovergevoeligheid is er naar mijn weten geen lijst met gevoelige rassen. 
Uit de literatuur blijkt dat er drie kattenrassen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van omgevingsallergie. Deze rassen zie ik zelden in de praktijk waardoor ik niet durf te zeggen of dit klopt of niet. Daarnaast is er natuurlijk ook een verschil tussen de genenpoel in Nederland en het buitenland. Maar ook de puppyhandel/broodfok zal een grote rol spelen in de gezondheid van een ras (look-a-like versus stamboomhonden).

Kruisingen

Er wordt altijd gezegd dat kruisingen en vuilnisbakkenrassen gezonder zijn en langer leven. Als we kijken naar huidproblemen zoals omgevingsallergie dan geldt dat helaas niet voor kruisingen van allergie gevoelige rassen. Zo zien we heel veel problemen bij Boomers en Doodles (m.n. Labradoodles). 

Ook de gewone ‘Europese korthaar’ ofwel huis-tuin-keuken kat staat stipt op nummer 1 als het gaat om huidklachten zoals jeuk en allergieën (in vergelijking met andere rassen). Ik zie veel meer Europese kortharen dan raskatten (gezond of ziek). 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Huidinfecties bij de hond

Huidflora en infecties

In en op het lichaam van een hond leven micro-organismen zoals bacteriën en gisten. Alle micro-organismen bij elkaar worden het microbioom genoemd. De term huidflora verwijst naar de micro-organismen die op de huid verblijven.

Het lichaam wordt dagelijks blootgesteld aan diverse potentiële ziekteverwekkers. De huid en haren zijn de eerste afweer tegen indringers van buitenaf maar ook andere schadelijke invloeden (UV-licht, vervuiling, etc.). De huidflora is dus een belangrijk onderdeel van het afweersysteem. De normale huidbewoners zorgen er namelijk voor dat pathogene bacteriën niet kunnen koloniseren. Hierdoor wordt het dier niet ziek door een infectie.

De samenstelling van de huidflora wordt bepaald door diverse factoren zoals huidverzorging, huisvesting, zuurgraad, temperatuur maar ook risicofactoren. De meest voorkomende bacteriën die onderdeel uitmaken van de huidflora van gezonde zijn Staphylococci spp., Micrococcus spp., Streptococcus spp en Clostridium spp

Als we in de diergeneeskunde over gisten spreken dan hebben we het over Malassezia pachydermatis. Gisten zijn eencellige schimmels maar zijn, net zoals bacteriën, niet allemaal hetzelfde. Gisten komen echter niet overal op het lichaam voor en niet alle honden dragen Malassezia gisten met zich mee. Uit de literatuur blijkt dat bij ongeveer 42% van de honden Malassezia een normale huidbewoner is.

Na de geboorte ontwikkelt elke pup een eigen microbioom. Het lichaam zal ten alle tijden proberen om een goede balans te behouden. Als de balans verstoord is dan kunnen niet-huidbewoners voor klachten zorgen. We spreken van een huidinfectie als een micro-organisme de huid is binnengedrongen en zich daar vermenigvuldigd (kolonisatie). Zo’n 90% van de bacteriële huidinfecties wordt veroorzaakt door Staphylococcus Pseudintermedius bacteriën. 

Afweermechanismen van de huid

  • Vacht (dek- en wolharen)
  • Verhoorning (keratinisatie)
    Elke 21-22 dagen laat de buitenste cellaag van de opperhuid los. Alles wat daar aan vast kleeft, komt in de omgeving terecht. Zo worden oppervlakkige micro-organismen en parasieten verwijderd.
  • Hydrolipiden film / talglaag
    Het materiaal vanuit de talg- en zweetklieren heeft beschermende functie en vormt een vetlaagje op de huid en haren. Het remt ziekteverwekkende bacteriën en gisten en zorgt voor voedingsstoffen voor de normale huidbewoners. 
  • Huidbarrière (huidcellen en -vetten tussen de keratinocyten)
    De huidbarrière wordt ook wel vergeleken met een bakstenen met cement. Voorkomt binnendringen van potentiële ziekteverwekkers door een waterafstotende en goed afsluitbare opperhuid (vetlaag tussen de huidcellen = het cement). 
  • Huidflora (bacteriën en gisten)
    Remt vermenigvuldiging van niet-huidbewoners en ziekteverwekkende micro-organismen. De huidbewoners gaan actief de competitie aan. 
  • Aangeboren afweer (anti-microbiële peptiden)
    Deze peptiden (o.a. lysozyme en defensinen) hebben de eigenschap om meerdere ziekteverwekkers te kunnen doden. Ook kunnen zij het afweersysteem stimuleren.
  • Afweercellen in de huid
  • Microklimaat
    Temperatuur, zuurgraad en luchtvochtigheid

Bacteriële huidinfectie

Een bacteriële huidinfectie is een van de meest voorkomende huidaandoeningen bij honden. De infectie wordt dan ook vaak als een op zichzelf staande ziekte behandeld. Echter zullen de huidinfectie en bijkomende klachten steeds terugkeren als er niks aan de onderliggende aandoening wordt gedaan. 

Bacteriële huidinfecties bij honden kunnen we onderverdelen in drie soorten:

  • Oppervlakte pyodermie
  • Oppervlakkige pyodermie
  • Diepe pyodermie

Met pyodermie wordt een bacteriële huidontsteking bedoeld.  

Oorzaken

De meest voorkomende oorzaak van een terugkerende huidinfectie zijn allergische huidaandoeningen (omgevingsallergie, voedselovergevoeligheid). Andere oorzaken zijn hormonale problemen (hypothyreoïdie, ziekte van Cushing), verlaagde afweer door ziekte of gebruik van bepaalde medicatie (bv. prednison), andere infecties (schimmel, mijten), seborroe, keratinisatiestoornissen (ichthyosis, sebaceous adenitis), etc.
Naast deze aandoeningen kunnen honden ook een bacteriële huidontsteking krijgen doordat de huid en vacht te lang vochtig en warm zijn. Denk aan langharige honden die na het zwemmen niet goed opdrogen of honden met plooivorming. 

Mogelijke symptomen

  • Jeuk
  • Kale plekken
  • Schilfers
  • (gele) Korstjes
  • Huidwondjes en -plekjes
  • Stank/onaangename geurtjes
  • Rode huid
  • Epidermale collarettes (zie foto)
  • Zwartverkleuring van de huid
  • Vette huid en vacht

Cytologisch onderzoek

Bovenstaande symptomen zijn vrij aspecifiek. Zonder onderzoek kan de dierenarts niet met zekerheid vaststellen dat de hond last heeft van een bacteriële huidinfectie. Het is daarom erg belangrijk om bij het opwerken van huidpatiënten monstertjes van de huid te nemen voor cytologisch onderzoek.

Bij cytologisch onderzoek neemt de dierenarts met een swab, objectglaasje of plakband een monster van de huid en kleurt hij/zij deze met een speciale kleuring. Het monster kan dan onder de microscoop bekeken worden.

Behandeling

Niet elke huidinfectie wordt hetzelfde behandeld, de behandeling wordt o.a. bepaald door de diepte en ernst van de infectie en ontsteking, de klachten en de eigenaar. 

Een huidinfectie behandelen we bij voorkeur met een antimicrobiële shampoo. Het is ook mogelijk om oppervlakte en oppervlakkige huidinfecties met andere huidverzorgingsproducten te behandelen (mousse, spray, zalf/gel, speciale doekjes). Sommige honden met een oppervlakkige pyodermie moeten ook met antibiotica behandeld worden.
Diepe huidinfecties behandelen we met een lange kuur antibiotica (minimaal 3 weken) en indien mogelijk gecombineerd met lokale behandeling.

In mijn webshop kun je een overzicht van geschikte producten terugvinden. 

Malassezia dermatitis

Een huidinfectie door gisten noemen we ook wel Malassezia dermatitis. Bijna de helft van de allergische honden krijgt hier weleens last van. Dit zie ik vooral bij Shih-Tzu’s en kruisingen hiervan.

Bij sommige hondenrassen komt Malassezia dermatitis vaker voor. Denk aan de Basset, West Highland White Terriër, Duitse Herder, Cocker Spaniël, Dwergpoedel en Engelse Setter. Een aantal van deze honden, met name de Basset, heeft een genetisch defect waardoor het afweersysteem overgroei van gisten niet tegengaat.

Anatomische kenmerken en onderliggende aandoeningen lijken een belangrijke rol te spelen. Huidplooien en plekken op het lichaam met weinig ventilatie (tussen de teentjes, harige of nauwe gehoorgang) creëren een ideale omgeving voor gisten. Temperatuur en luchtvochtigheid zijn essentiële parameters voor vermenigvuldiging van micro-organismen zoals gisten.

Oorzaken

Huidallergieën, hormonale problemen, keratinisatiestoornissen, seborroe, etc.

Symptomen

De klachten van een gisteninfectie worden vooral bepaald door de omvang en ernst van de infectie en de lokalisatie op het lichaam. Jeuk is één van de meest voorkomende symptomen. Meeste honden hebben vergelijkbare huidafwijkingen: rode huid, kaalheid, schilfers, zwartverkleuring, korstjes en verdikking van de huid (lichenificatie). Dit zijn géén ziekte-specifieke symptomen en op basis van de klachten of foto’s kan er dus geen diagnose gesteld worden.

Op plekken waar huid tegen elkaar wrijft zijn de haren vaak bij de huid tegen elkaar geplakt door een vettige afscheiding. Bij een oorontsteking door gisten is het oorsmeer bruin en vet of waxachtig. Dezelfde soort afscheiding kan ook bij de nagelriem, nagels en tussen de teentjes gezien worden. Bij Cockers en Bassets met een vochtige, rode of kale plek in de hals moet men ook aan Malassezia dermatitis denken. Honden met een gisteninfectie kunnen zoveel jeuk hebben dat ze in de trimsalon of andere plekken met voldoende afleiding toch krabben en likken. Dit zien we ook bij dieren met schurft (scabiës) en voedselovergevoeligheid.

Cytologisch onderzoek

De diagnose wordt ook bij deze infectie door middel van cytologisch onderzoek gesteld. 

Behandeling

Niet alle anti-microbiële shampoos zijn geschikt om Malassezia dermatitis te behandelen. De meest gebruikte shampoos zijn Malaseb® en Dermasezia®. Daarnaast is de Douxo PYO lijn ook effectief tegen gisten. Bij hardnekkige gistinfecties kan het nodig zijn om met orale anti-schimmel middelen te werken.

Remedy+ Yeastosol spray

Yeastosol is handige spray zonder antibiotica of hormonen. De gepatenteerde formule kan dagelijks veilig gebruikt worden bij de bestrijding van gisten.

Yeastosol dient één- tot tweemaal daags op  de plek gesprayd te worden. Meestal zijn de gisten na 14 dagen onder controle. Dit is afhankelijk van de ernst van de infectie. Yeastosol kan als onderhoud, bijvoorbeeld tweemaal per week,  veilig worden gebruikt.

Yeastosol
© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Alopecia X

Alopecia X is een verzamelnaam voor specifieke klachten van kaalheid, die we met name bij een bepaalde hondenrassen zien. Deze aandoening heeft in de loop der jaren een hoop namen gehad en staat beter bekend als:

  • Black Skin Disease (BSD)
  • Black Skin Syndrome of Pomeranians

Andere namen zijn:

  • Atypische Cushing
  • Pseudo Cushing
  • Groeihormoon responsieve alopecia
  • Castratie responsieve alopecia
  • Bijnier-geslachtshormonen onbalans
  • Folliculaire groeistoring bij wolharige honden
  • Gonadal sex hormone dermatosis
  • Huidbiopt responsieve alopecia

De specialisten hebben de voorkeur voor de naam ‘Hair Cycle Arrest’.
Er is iets wat er voor zorgt dat de haarcyclus gepauzeerd wordt. De haren groeien niet meer verder waardoor na het uitvallen van de dode haren kale plekken ontstaan. 

Alopecia betekent deels of volledig verlies van haren, die er wél horen te zijn. Er zijn immers ook kerngezonde delen van de huid die altijd kaal (neus, voetzooltjes) of dunbehaard zijn, zoals oksels en buik.

Alopecia X ofwel Hair Cycle Arrest

Alopecia X is misschien wel het meest controversiële syndroom binnen de dermatologie.  Er is nog zóveel onbekend over Alopecia X en gerelateerde aandoeningen.

De exacte oorzaak van Alopecia X is niet bekend. Het lijkt een combinatie van genetische predispositie en afwijkingen in de geslachtshormonen. We zien deze huidaandoening vaker bij dwergkeesjes (Pomeranians), Chow Chows, Siberische Husky’s, Keeshonden, Samojeeds en (dwerg)poedels.

De huidige theorie is dat de kaalheid wordt veroorzaakt door een afwijking in de haarzakjes, die wordt verergerd door geslachtshormonen. Er is geen groei van nieuwe haren, de haarcyclus lijkt gepauzeerd. De trigger ofwel oorzaak van de pauze is nog niet achterhaald. 

Symptomen

In eerste instantie vallen dekharen uit. Hierdoor gaat de algemene vachtconditie achteruit. De vacht is meestal droog, dof en kroezig. In het Engels noemen ze dat ook wel ‘wooly coat syndrome‘.
Uiteindelijk zal de dunner wordende vacht zich uitbreiden. Wolharen zullen ook uitvallen resulterend in complete kaalheid (alopecia).

Kenmerkend is dat haren na het scheren niet terug willen groeien. Na het nemen van biopten of huidafkrabsels of een bacteriële ontsteking kunnen haren ‘ineens’ terugkomen. Meestal als kleine plukjes haren. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de groeifactoren die vrijkomen na trauma en schade aan de huid. 

De kaalheid wordt het vaakst bij de nek, staartbasis, broekspieren en rondom de anus gezien. Met de tijd kan ook de romp kaal worden. Zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie) wordt regelmatig gezien. Dit komt ook deels door blootstelling aan UV-licht, de beschermende vacht is immers verdwenen.

In de liezen en bij de staartbasis worden regelmatig schilfers en mee-eters gezien. 

alopecia X nek chihuahua

Diagnose

De diagnose wordt gesteld aan de hand van:
– signalement (ras, leeftijd, geslacht)
– anamnese (vragenlijst + ziektegeschiedenis)
– symptomen
– uitsluiten van andere aandoeningen (hypothyreoïdie, ziekte van Cushing, overmaat aan geslachtshormonen)
– weefselonderzoek (pathologie) huidbiopten
– (bloedonderzoek geslachtshormonen)  

Op basis van het ras en de symptomen kan men meestal de waarschijnlijkheidsdiagnose stellen. Het advies is om andere oorzaken van kaalheid zonder jeuk  (bv. hormonen) uit te sluiten en daarna huidbiopten te nemen. De huidbiopten worden opgestuurd naar de patholoog in een extern laboratorium. De patholoog ziet een overmaat aan niet-groeiende haren (catagene haren), atrofie van de huid en hormonale kenmerken zoals zgn. ‘flame follicles’. Hiermee kan men de waarschijnlijkheidsdiagnose bevestigen.

Vroeger werd er geadviseerd om niet gecastreerde teefjes en reutjes te castreren vóórdat men met het diagnostische traject ging starten. In bijna 75% van de gevallen zag men dat castratie voor teruggroei van haren zorgde. Tegenwoordig weten we beter. 

Behandeling

In principe is behandeling niet noodzakelijk omdat het een ‘cosmetische’ aandoening betreft. Dat wil zeggen dat de honden geen last hebben van de kaalheid. Dat neemt niet weg dat veel eigenaren graag zien dat hun hond weer volledig behaard wordt.

Er zijn vele behandelingsopties waaronder castratie (chirurgisch of chemisch), lysodren®, melatonine, groeihormoon, testosteron, oestrogenen, ypozane®, trilostane, cyclosporine, medroxyprogesteron, micro-needling therapie, lasertherapie en diverse huidverzorgingsproducten.

Voor alle behandelingsopties geldt dat we niet weten óf de haren terug zullen groeien. De vachtconditie en kwaliteit van de haren zullen nooit meer hetzelfde zijn als vóór het ontstaan van Alopecia X. De dekharen komen meestal niet meer terug. We zien daarnaast ook dat de ene behandeling het ene moment wél effectief is en het volgende moment niets meer doet.

Als de haarcyclus weer op gang gebracht is door de behandeling dan zullen nieuwe groeiende haren (anagene haren) weer in rustfase (telogene haren) terecht komen en hierna uitvallen. Over het algemeen zijn er geen nieuwe haren gemaakt om de oude haren te vervangen waardoor de hond opnieuw kaal wordt.

Melatonine

Melatonine lijkt bij 1/3 van de honden effect te hebben. Het is relatief veilig en makkelijk verkrijgbaar. Let wel op dat melatonine een invloed heeft op meerdere geslachtshormonen met dus eventuele (ongewenste) bijwerkingen! Start nooit een behandeling zonder overleg/controle door dierenarts. De dosering verschilt per dier maar ook per ras en grootte van de hond! In tegenstelling tot veel medicatie in de diergeneeskunde wordt de dosering melatonine NIET berekend o.b.v. mg per kilogram lichaamsgewicht.

Er wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de effectiviteit van melatonine implantaten. In Amerika worden deze al langer bij honden met diverse vormen van alopecia ingezet. Ze lijken beter te werken dan tabletten. Behandeling met een melatonine implantaat is alleen via specialisten mogelijk. 

Castratie

Naast melatonine is castratie een veel gekozen behandelingsoptie. Castratie is eigenlijk altijd het proberen waard. Er zijn onderzoeken die aantonen dat castratie bij zo’n 50% van de honden helpt. Meestal groeit de vacht deels terug. Keeshonden lijken iets minder goed te reageren op deze behandeling.

Bij teefjes is er helaas onvoldoende onderzoek gedaan naar het effect van de behandeling. We kunnen dus niets zeggen over de kans van slagen etc. Daarnaast is castratie een definitieve ingreep. Eenmaal uitgevoerd is terugdraaien niet mogelijk. 

Bij reuen zijn er meer onderzoeken gedaan naar het effect van castratie bij Alopecia X. Deze behandeling is bij mannelijke dieren ook iets makkelijker. Bij intacte reuen lijkt chemische castratie beter te werken dan chirurgische castratie (tot 80% goed effect).

Er wordt vaak gekozen voor chemische castratie met het implantaat Suprelorin®. Na 6 of 12 maanden werkt het implantaat uit (afhankelijk van de sterkte). Er is één onderzoek waarbij dit implantaat bij gesteriliseerde teefjes is toegediend (zonder resultaat).

Niet alle behandelingen zijn zonder risico’s en bijwerkingen

Uit onderzoek blijkt dat trilostane erg effectief is. Dit middel is verkrijgbaar onder de merknaam Vetoryl® en wordt gebruikt bij de behandeling van ziekte van Cushing bij honden. Trilostane blokkeert de aanmaak van cortisol, een belangrijk bijnierschorshormoon. Het geven van dit medicijn is niet zonder risico’s en bijwerkingen!

Ook Lysodren® en testosteron worden niet veel gebruikt vanwege potentiële bijwerkingen. Groeihormoon, oestrogenen en medroxyprogesteron worden zover ik weet alleen in onderzoekssetting of door specialisten gebruikt. 

© 2019 Huidadvies voor dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update juli 2019. Oorspronkelijke artikel is in 2017 gepubliceerd.

Bronvermelding:
– ESAVS Dermatology course II 2016
– BSAVA Manual of Canine and Feline Dermatology third edition 2012
– Small Animal Dermatology third edition 2011 van K.A. Hnilica