Kruisreacties en kruisbesmetting

Het eliminatiedieet

Honden en katten met jeuk of maag-darm klachten kunnen last hebben van een voedselovergevoeligheid. De klachten kunnen ontstaan door een intolerantie of allergie voor een of meerdere ingrediënten in de voeding, tussendoortjes of kauwartikelen. 

Om de rol van voeding te onderzoeken maken dierenartsen en specialisten gebruik van een zogenoemd eliminatiedieet. Hierbij worden alle voedingsmiddelen die het dier eerder gegeten heeft geëlimineerd en introduceren we een nieuw dieet zónder extraatjes. De hond of kat krijgt dus alleen het gekozen dieet te eten (vlees of brok). 

Het eliminatiedieet moet een langere periode volgehouden worden, de richtlijn is tenminste 6 weken. Bij honden met oorproblemen en katten in het algemeen wordt het eliminatiedieet vaak verlengd tot 12 weken (of langer). 

Keuze van het dieet en de betrouwbaarheid

Het klinkt simpel: we laten álles weg wat de hond of kat eerder gegeten heeft en we geven een compleet nieuw dieet met nieuwe ingrediënten. Echter komt er bij een betrouwbaar eliminatiedieet veel meer kijken. 

De keuze van het dieet bepaalt voor een groot gedeelte de betrouwbaarheid. Met behulp van dit dieet kan de dierenarts of specialist een diagnose stellen. Een goed gekozen en uitgevoerd eliminatiedieet geeft antwoord op de vraag ‘worden de klachten veroorzaakt door een negatieve reactie op iets in de voeding?‘.
Met andere woorden: heeft mijn hond of kat een voedselovergevoeligheid?

Over het algemeen is het eliminatiedieet voor zowel eigenaar als dier geen pretje. De hond of kat mag gedurende een aantal weken géén snoepjes, menseneten en kluifjes meer krijgen. Veel eigenaren vinden het moeilijk om hun huisdier niets anders te geven dan brokken of vlees. Het is mede daarom aan te raden om één keer goed het dieet uit te voeren, dan elke keer van voeding te wisselen zonder duidelijk plan of te weten waar je op moet letten en waar je nou eigenlijk mee bezig bent. Want niet elk dieet is even betrouwbaar

Betrouwbaarheid van het dieet

Voedselovergevoeligheid is een complexe aandoening waarbij de klachten door een of meerdere mechanismen ontstaan. Daarom is het ook niet mogelijk om met een bloedonderzoek of andere testen de diagnose te stellen. Aan de buitenkant kunnen we niet zien op welke manier de klachten ontstaan (als deze al door een negatieve reactie op de voeding veroorzaakt worden). Om de kans op een juiste diagnose zo groot mogelijk te maken, willen we een zo zuiver mogelijk eliminatiedieet kiezen en uitvoeren. 

Dieren reageren meestal averechts op dierlijke eiwitten maar andere eiwitstructuren kunnen ook reacties uitlokken. Voor sommige dieren maakt het ook uit of het eiwit bewerkt c.q. verhit is of rauw aangeboden wordt. Zo zijn er dieren die wel tegen gekookte kip kunnen maar van rauwe kip klachten krijgen. 

Een betrouwbaar en zuiver eliminatiedieet, is een dieet dat o.a. rekening houdt met:
– keuze van dierlijke eiwitten
– keuze van koolhydraten (bv. uniek en vrij van eiwitten)
– samenstelling van het voer
– bereiding van het voer (in de fabriek)
– kans dat het lichaam negatief reageert op de ingrediënten

Meeste commerciële diëten (vers vlees, brokken en blikvoeding) zijn níet geschikt als eliminatiedieet.
Vaak ook niet als dit voer voor de hond of kat nieuwe ingrediënten bevat. Dit heeft niet alleen te maken met de bovenstaande punten maar ook met kruisreacties en kruisbesmetting (zie verder).

Gehydrolyseerde eiwitten

In de loop van de jaren zijn er brokken op de markt gekomen met zgn. ‘gehydrolyseerde eiwitten’. Dit zijn eiwitten die in kleine stukjes geknipt zijn, hierdoor zal het afweersysteem de eiwitten minder snel herkennen en overmatig of afwijkend hierop reageren. Om deze reden worden diëten met gehydrolyseerde eiwitten vaak ‘hypoallergeen’ genoemd. De kans op een negatieve of allergische reactie is kleiner in vergelijking met normale voeding.

De grootte van de eiwitten bepaalt of het afweersysteem de eiwitten kan herkennen. Hoe kleiner de eiwitten, hoe kleiner de kans en des te betrouwbaarder het dieet is. Om de grootte van gehydrolyseerde eiwitten aan te duiden wordt de massa-eenheid Dalton (Da) gebruikt. Tussen de 1-40 kDa (kilo Dalton) kunnen er reacties ontstaan, meestal tussen 15 en 40 kDa.  Niet elke brok met gehydrolyseerde eiwitten bevat even grote eiwitten, Royal Canin Hypoallergenic bevat bijvoorbeeld gehydrolyseerde eiwitten tussen de 3 en 5 kDa terwijl de Anallergenic brokken van Royal Canin de allerkleinste eiwitten bevat (minder dan 1 kDa). Om deze reden adviseren veel dierenartsen en dermatologen Royal Canin Anallergenic. Deze brok lijkt de nieuwe ‘gouden standaard’ te zijn. 

Kruisreactie

Voedselovergevoeligheid is de overkoepelende term voor voedselintolerantie en -allergie. Zoals hierboven te lezen is, kunnen de klachten bij voedselovergevoeligheid op meerdere manieren ontstaan. Bij een intolerantie ontstaat er in het maag-darmkanaal een abnormale reactie op de voeding terwijl bij een allergie de negatieve reactie door een overmatige of afwijkende reactie van het afweersysteem ontstaat.

Hoe ontstaan de klachten?

Bij een negatieve reactie op de voeding wordt er een onderscheid gemaakt tussen een immunologische (allergie, anafylaxie) en niet-immunologische reactie (intolerantie). Een niet-immunologische reactie kan verder onderverdeeld worden in:

  • stofwisselingsreactie, bv. een tekort aan een bepaald enzym zoals bij lactose-intolerantie
  • voedselvergiftiging, bv. door toxinen of bacteriën in het voer
  • malabsorptie: voedingstoffen kunnen niet opgenomen worden
  • farmacologische reactie: stofjes in de voeding veroorzaken bijwerkingen bij gevoelige dieren (bv. cafeïne inname en hartkloppingen)
  • reactie op stoffen die van nature in de voeding voorkomen, bv. histamine 
  • overige groep (‘food idiosyncrasy’): het is niet bekend waardoor de klachten ontstaan (bv. reactie op conserveringsmiddelen en kleurstoffen)

Bij een intolerantie ontstaan de klachten vaak geleidelijk en kan er sprake zijn van een grenswaarde (bij een bepaalde hoeveelheid ontstaan er klachten). Als het dier niet meer blootgesteld wordt aan de trigger dan verdwijnen de klachten doorgaans vanzelf.

Bij een immunologische reactie is het afweersysteem betrokken. Er zijn vier type overgevoeligheidsreacties bekend (type I, II, III en IV). Een combinatie van allergische reacties is ook mogelijk. Type I is waarschijnlijk de meest bekende overgevoeligheidsreactie, hierbij maakt het afweersysteem antilichamen die voor de klachten zorgen. Bij een hond of kat met een voedselovergevoeligheid kunnen type I, III en IV reacties gezien worden.

Bij een voedselallergie reageert het afweersysteem in de regel overmatig en afwijkend op een of meerdere voedingsstoffen (bijna altijd zijn dit de eiwitten in de voeding).
Witte bloedcellen (B-lymfocyten) maken antilichamen aan waardoor er allergische ontstekingsreacties ontstaan. Hierdoor kan de hond of kat een scala aan klachten ontwikkelen (jeuk, oorontsteking, andere huidklachten maar ook braken en diarree).
Bij een type IV overgevoeligheidsreactie ontstaan er ontstekingen doordat het afweersysteem zich tegen bepaalde stofjes richt (bv. voedingsstoffen, pollen, huismijten). In tegenstelling tot de andere type overgevoeligheidsreacties duurt het bij een type IV reactie langer voordat er klachten ontstaan. Om deze reden kunnen sommige dieren pas na maanden of jaren ‘ineens’ klachten ontwikkelen (terwijl ze al langere tijd hetzelfde voer krijgen).

Voedselallergie en kruisreacties

Omdat het afweersysteem bij een voedselallergie niet goed werkt, kunnen de afweercellen ook overmatig reageren op andere (verwante) stoffen. Bij een allergische reactie reageert het afweersysteem voornamelijk op eiwitten, waarbij dierlijke eiwitten in de voeding de belangrijkste triggers zijn. 

Eiwitten zijn opgebouwd uit ketens aminozuren. Sommige eiwitten lijken qua structuur heel erg op elkaar maar verschillen net op enkele punten. Hierbij kun je denken aan ‘verwante’ diersoorten, bv. kip en ander gevogelte of rund en lam. Maar kruisreacties zijn niet altijd voor de hand liggend. Zo lijkt het kip-eiwit qua structuur op het vis-eiwit waardoor honden met een allergie voor kip, óók averechts kunnen reageren op vis (dit is middels wetenschappelijk onderzoek aangetoond bij mensen en honden, we weten niet of dit ook bij de kat voorkomt).

Bij dieren met een voedselallergie kan het dus voorkomen dat het lichaam ook reageert op andere eiwitten* of voedingsstoffen. Om deze reden is het advies om niet alleen een nieuwe eiwitbron te selecteren voor het eliminatiedieet, maar ook rekening te houden met eventuele kruisreacties.

*dikwijls zijn dieren allergisch voor meer dan één voedingsstof

Kruisbesmetting

De betrouwbaarheid van het eliminatiedieet wordt ook bepaald door de eventuele mogelijkheid op kruisbesmetting. Kruisbesmetting treedt op wanneer er (onbedoeld) voedingsstoffen van het ene product terecht komen in een ander product. 

Kruisbesmetting is een ‘probleem’ bij alle commerciële diëten, zowel brokken als vers vlees producten. Maar ook bij de slager of thuis kan er kruisbesmetting optreden. Het is niet bekend of de kleine hoeveelheden die onbedoeld in het eindproduct terecht zijn gekomen, ook reacties kunnen uitlokken. We weten bij mensen met een pinda-allergie dat kleine hoeveelheden al kunnen leiden tot klachten. Vanuit deze kennis, nemen we aan dat dit ook bij honden of katten het geval kan zijn. Bij het kiezen en beoordelen van een eliminatiedieet is het dan ook belangrijk om hier rekening mee te houden. 

Voorheen was het ‘zelfkook’ dieet de eerste keuze om voedselovergevoeligheid uit te sluiten of te bevestigen. Behalve dat het zelfkook dieet niet alle voedingsstoffen bevat die het dier nodig heeft, is er ook een kans dat er kruisbesmetting optreedt. Als het vlees in aanraking komt met andere producten (in de fabriek of bij de slager) raakt het gecontamineerd. Het lichaam kan op deze ongewenste voedingsstoffen reageren terwijl het gekozen dieet (vlees, brok) compleet nieuw is qua samenstelling. Het eliminatiedieet is dan ineens niet meer betrouwbaar. Om deze reden wordt er steeds minder vaak gekozen voor een zelfbereid dieet. 

‘Zelfkook dieet’: KVV en BARF als eliminatiedieet

Steeds meer mensen voeren vers vlees aan hun huisdieren. Er zijn dan ook een hoop verkooppunten voor KVV en BARF producten. KVV staat voor ‘kant en klaar vers vlees’ en BARF is de afkorting voor ‘bones and raw food’. 

Als je kiest voor een zelfkook dieet met KVV en BARF producten, dan is het belangrijk om te realiseren dat (net zoals met veel commerciële brokken en blikvoeding) er een risico is op kruisbesmetting. Onderstaande foto is genomen in een fabriek waar KVV en BARF producten worden bereid. In KVV worsten zit meestal spiervlees, botten en organen. Deze worden in een soort gehaktmolen/shredder gegooid en komen in de bak op de foto terecht. Vanuit deze bak komt het gemalen product in een machine terecht waar de uiteindelijke worsten gemaakt worden. Tussen de verschillende eindproducten door wordt de machine en bak niet schoongemaakt. Er is dan ook een reële kans dat er in de KVV worsten andere voedingsstoffen zoals dierlijke eiwitten terecht zijn gekomen. 
Bij BARF producten kan er ook kruisbesmetting optreden zoals dit bij de slager of thuis mogelijk is. Als er tussen het bereiden, verwerken en verpakken van het vlees geen hygiënemaatregelen worden getroffen, is hier ook een aanzienlijke kans op kruisbesmetting. De medewerkers in de fabriek zullen niet tussen de diersoorten door handschoenen wisselen of de werkbank reinigen. 

Samenvatting

  • Voedselovergevoeligheid is de overkoepelende term voor voedselintolerantie en voedselallergie
  • De ontstaanswijze van de klachten van voedselovergevoeligheid is erg complex en wisselt per dier
  • Het eliminatiedieet is dé manier om de rol van voeding te onderzoeken
  • Gehydrolyseerde eiwitten zijn eiwitten die in kleine stukjes zijn geknipt, de grootte van de eiwitten bepaalt de kans dat het afweersysteem overmatig reageert op het eiwit
  • Niet elk eliminatiedieet is even betrouwbaar
  • Wissel niet elke keer van voeding maar kies één keer voor een goed dieet en laat je hierin adviseren en begeleiden door een dierenarts of dermatoloog 
  • De keuze van het dieet heeft gevolgen voor het stellen van de diagnose – er kan door een niet betrouwbaar dieet een verkeerde diagnose worden gesteld!
  • Bij vers vlees, natvoer en brokken is er een kans op kruisreacties en kruisbesmetting
  • Een kruisreactie kan ontstaan wanneer het lichaam het ene stofje aanziet voor het andere stofje
  • Kruisbesmetting treedt op wanneer er (onbedoeld) voedingsstoffen van het ene product terecht komen in een ander product
© 2020 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorcleaners

oren hond

Oorsmeer

Een ander woord voor oorsmeer is cerumen. In de huid van de gehoorgang zijn talgklieren en speciale cerumenklieren aanwezig. Het afscheidingsproduct van deze klieren bestaat uit lipiden (vetten, fosfolipiden) en zure lange suikerketens. Oorsmeer bestaat uit vetten afkomstig uit de talgklieren, dode huidcellen en micro-organismen, vuil en debris en inhoud uit de cerumenklieren (fosfolipiden en mucopolysacchariden). 

Het cerumen bekleed en beschermt de huid van de gehoorgang (horizontale en verticale deel). Om ophoping van cerumen te voorkomen, hebben de oren een ‘zelfreinigend mechanisme’. Via zgn. ‘epitheliale migratie’ komt het oorsmeer vanuit de horizontale gehoorgang naar de oorschelp. Er zijn meerdere oorzaken waarbij het zelfreinigende mechanisme verstoord kan raken of waardoor er meer oorsmeer geproduceerd wordt.

Het microklimaat in de gehoorgang (luchtvochtigheid, temperatuur, zuurgraad) en productie van cerumen veranderen als de hond of kat een oorontsteking heeft. Vaak gaat een oorontsteking dan ook gepaard met een overmatige aanmaak van oorsmeer en bijkomende infecties met bacteriën of gisten. 

De enige manier om het zelfreinigende mechanisme van de gehoorgang te herstellen, is het schoonmaken van de oren. Dit kan de dierenarts op de praktijk doen (onder sedatie of narcose of bij het wakkere dier) maar het is ook mogelijk dat men thuis de oren spoelt met speciale oorcleaners. Er bestaan veel verschillende soorten oorreinigers met elk andere eigenschappen (dankzij de ingrediënten en samenstelling).

De keuze van een oorreiniger wordt idealiter bepaald door meerdere factoren. Hierbij kun je denken aan: (1) type oorsmeer, (2) veranderingen van de gehoorgang, (3) gescheurd of intact trommelvlies, (4) aanwezige bacteriën of gisten.

In dit artikel lees je meer over bekende ingrediënten en vind je een overzicht met veel gebruikte oorreinigers die via de dierenarts verkrijgbaar zijn (zie kopje ‘oorreinigers’). 

Ingrediënten en samenstelling

De ingrediënten en samenstelling van oorreinigers bepalen uiteindelijk welke oorcleaner geschikt is voor welk probleem. Vettig oorsmeer kun je beter wegkrijgen met een oorsmeeroplossende reiniger dankzij ceruminolytische ingrediënten. Bij een etterige (pus) oorontsteking gebruiken we liever een waterige reiniger met antiseptische ingrediënten.

Veel gebruikte ingrediënten
  • Chloorhexidine
  • Glycerine
  • Melkzuur
  • Propyleenglycol
  • Salicylzuur
  • Tris-EDTA
  • Azijnzuur
Ototoxisch

Ook oorcleaners en oorzalven kunnen ongewenste bijwerkingen hebben. Oormedicatie en reinigende producten kunnen op vier manieren nadelige effecten veroorzaken: (1) direct effect op de huid en het trommelvlies, (2) effect op het middenoor, (3) effect op evenwichtsorgaan en het gehoor (via het binnenoor: cochlea ofwel slakkenhuis) en (4) systemische bijwerkingen (in het bijzonder corticosteroïden in oormedicatie).

Het nadelige effect op het evenwichtsorgaan en gehoor wordt ook wel beschreven met de term ‘ototoxisch’. Veel verschillen stoffen zijn ototoxisch. Dat betekent dat deze stoffen structuren in het midden- of binnenoor kunnen aantasten. Als er een gaatje in het trommelvlies zit, of als het trommelvlies voor een groot deel gescheurd is, kunnen deze stoffen in het diepere delen van het oor terecht komen. Dieren kunnen dan last krijgen van gehoorverlies, evenwichtsproblemen of andere neurologische klachten. Er zijn gelukkig enkele stoffen die geen gevaar voor het middenoor vormen: squaleen, tris-EDTA en tris-NAC.

Oorreinigers

Een overzicht met de meest bekende oorreinigers verkrijgbaar bij de dierenarts.

AST oorreiniger en Monoclean®

AST oorreiniger 120ml, Monoclean® 5 ml flacons

Eigenschappen
Verweekt en verwijdert oorsmeer, antimicrobieel

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten per ml
- Melkzuur (25 mg)
- Salicylzuur (1 mg)
- Chloorhexidine (2 mg)
- Natriumlaurylsulfaat
- Propyleenglycol
AST oorreiniger en Monoclean® zijn alcoholvrij

Epibac

Eigenschappen
Basisch (pH = 8), antimicrobieel, weinig irriterend, kalmerend, oorsmeeroplossend, verzorgend en verzachtend

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Chloorhexidine (0,15%)
- Propyleenglycol
- Tris-EDTA
- Aloë Vera
- Hamamelis
Epibac is een waterige oorreiniger

EpiOtic

Eigenschappen
Antimicrobieel, oorsmeeroplossend, ondersteunt en verbetert de weerstand v/d huid

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Water
- PCMX
- Disodium EDTA
- Salicylzuur
- Diethylhexyl sodium sulfosuccinate
- Defensine technologie
- Glycotechnologie
EpiOtic is een waterige oorreiniger

Episqualan

Eigenschappen
Niet irriterend, niet ototoxisch, verzorgend, verzachtend, sterk oorsmeeroplossend

Ingrediënten
- Squalaan (25%)
- Triglyceride
- Arachis hypogea
- Vitamine E
Episqualan is een olieachtige oorreiniger

Hexoclean

Eigenschappen
Zuur (pH = 3,5), antimicrobieel (incl. Malassezia), weinig irriterend, kalmerend en verzachtend

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Chloorhexidine (0,15%)
- Propyleenglycol
- Salicylzuur
- Aloë Vera
- Hamamelis
Hexoclean is een waterige oorreiniger

MalAcetic Aural

Eigenschappen
Antibacterieel, antischimmel

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Azijnzuur (2%)
- Boorzuur (2%)
- Glycerine
- Polysorbaat
- Triëthanolamine
MalAcetic Aural is een waterige oorreiniger

Maxani zure oordruppels

Eigenschappen
Antibacterieel, antischimmel, verzachtend

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Azijnzuur
- Propyleenglycol
Maxani Zure oordruppels zijn olieachtig

Otoact®

Eigenschappen
Keratolytisch, niet ototoxisch, oorsmeeroplossend, indrogend, verzachtend

Ingrediënten
- Squaleen (2%)
- Salicylzuur
- Kamille-extract
- Looizuur
- Gezuiverd water
- Conserveringsmiddelen
Otoact is als het goed is een waterige oorreiniger

Otoclean

Eigenschappen
Keratolytisch, oorsmeeroplossend, verzachtend, hydraterend

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Salicylzuur (2,32 mg)
- Propyleenglycol
- Polyglycol en ethoxydiglycol
- Water
- Glycerine
- Melkzuur
- Cucumis sativus (komkommer extract)
- Cetraria islandica (Ijslands mos)
- Schors van Mimosa tenuiflora
- Oliezuur
Otoclean is een olieachtige en wat zure oorreiniger

Otodine®

Eigenschappen
Antibacterieel, niet irriterend

Ingrediënten
- Chloorhexidine (0,15%)
- Tris-EDTA

Sonotix®

Eigenschappen
Oorsmeeroplossend (ceruminolytisch), verzachtend, hydraterend, talgregulerend, neutrale pH, geurverwijderend (dankzij citroengeur)

NB: Niet gebruiken bij een mogelijk gescheurd trommelvlies !

Ingrediënten
- Ethoxydiglycol
- Caprylische glyceriden
- Propaan-2-Ol
- Glycerine
- Calendula officinalis
- Water
Sonotix® is een waterige oorreiniger

Tris-NAC®

Eigenschappen
Antibacterieel, slijmoplossend, niet ototoxisch, voorkomt vorming van een biofilm en breekt deze af

NB: gebruik van dit product zonder advies en controle van een dierenarts wordt ten zeerste afgeraden

Ingrediënten
- tris-EDTA
- NAC (N-acetyl-cysteïne)
Tris-NAC® is een waterige oorreiniger

TrizAural

Eigenschappen
Antibacterieel, alkaliserend (maakt de omgeving minder zuur), niet ototoxisch

Ingrediënten
- tris-EDTA
- Tromethamine USP
TrizAural is een waterige oorreiniger

Wanneer kun je welke oorreiniger gebruiken?

Vieze oren
  • EpiSqualan
  • Otoclean
  • EpiOtic
  • Otoact®
  • Sonotix®
Zwemmende honden
  • Maxani zure oordruppels
  • Hexoclean
  • MalAcetic Aural

*vanwege o.a. verzurende eigenschappen

Mogelijk gescheurd trommelvlies
  • Episqualan
  • Otoact®
  • TrizAural
Werkzaam tegen bacteriën
  • Otodine®
  • Maxani zure oordruppels
  • EpiOtic
  • Epibac
  • AST oorreiniger
  • Monoclean®
  • MalAcetic Aural
Ondersteunend bij overgroei van gisten
  • Hexoclean
  • Maxani zure oordruppels
  • MalAcetic Aural

Disclaimer: er kunnen geen rechten aan deze informatie ontleend worden; er kan tevens geen garantie geboden worden dat deze informatie volledig, actueel of foutloos is, hoewel de artikelen met veel zorgvuldigheid geschreven worden. De inhoud van dit artikel is gebaseerd op informatie die door de fabrikanten van de producten openbaar beschikbaar is gesteld.

© 2020 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Staartklierproblemen bij de hond

'Vioolklier'

Heb je weleens gehoord van de vioolklier?
Katachtigen en sommige hondachtigen hebben een zogenaamde staartklier. Deze huidklier bestaat uit meerdere groepen grote talgklieren, geurklieren en speciale zweetkliertjes. Ongeveer 5-10 centimeter vanaf de staartbasis is de concentratie van klieren het grootst. Dit groepje klieren vormt samen de vioolklier. Een andere naam voor deze klier is de wolfsklier. Bij meeste honden is deze klier niet direct zichtbaar zoals dat bij wolven, vossen en jakhalzen wel het geval is. Men spreekt ook wel van het ‘wolfsteken’. Het is te herkennen aan vettige haren met soms een andere structuur of kleur. 

Lees meer over de staartklier bij de kat in het artikel ‘katerstaart‘. 

wolfsklier

Staartklier bij de hond

De staartklier is een samengestelde klier die bij meeste honden voorkomt op de bovenzijde van de staart (bij de staartaanzet). De speciale zweetklieren maken feromonen (signaalstofjes die boodschappen overbrengen) aan waarmee dieren onderling kunnen communiceren. De feromonen worden aan een eiwitcomponent uit de geurklieren en vetcomponent uit de talgklieren gebonden. Hierdoor blijven de feromonen langdurig op de huid en vacht aanwezig. De door de staartklier geproduceerd feromonen spelen een rol bij herkenning van andere honden, markeren van het territorium en de voortplanting. 

De geurklieren zijn hepatoïde huidklieren. Dit zijn een soort aangepaste talg- en zweetklieren in de huid. Deze klieren worden niet alleen op de plek van de staartklier gezien. Ze komen ook voor in het gebied rondom de anus (perianaal), bij de voorhuid van reuen, liezen, binnenkant dijen en op de rug. 
Bij microscopisch onderzoek hebben deze cellen overeenkomsten met levercellen, vandaar de naam ‘hepatoïd’ (‘hepar’ is het Griekse woord voor lever). 

Staartklierproblemen

In principe hebben alle honden een staartklier. Maar in aanleg en ontwikkeling van deze speciale huidklier zijn er grote verschillen. Het hepatoïde klierweefsel ontwikkelt zich o.a. onder invloed van androgenen (geslachtshormonen) vanaf de puberteit. 

Gedurende het leven blijft de staartklier zich verder ontwikkelen. Hierdoor is de vioolklier bij oudere dieren vaak beter zichtbaar. De haren zijn vaak stugger en harder, echter kunnen ze ook uitvallen en een kale plek achterlaten. Bij sommige honden zijn de haren ook donker en gepigmenteerd. Bij reuen zijn de veranderingen vaak duidelijker dan bij teefjes, zeker als de honden niet gecastreerd zijn. 
De veranderingen van haarkleur en structuur of haaruitval worden bij deze oudere dieren niet als probleem gezien. In medische termen spreekt men van ‘fysiologische hyperplasie’. Hyperplasie is het proces waarbij een orgaan of weefsel vergroot, door hoge of abnormale celdeling. 

Het is echter ook mogelijk dat de staartklier door ziekte overactief wordt, er is dan sprake van pathologische hyperplasie.

Mogelijke oorzaken

  • Overmaat aan androgenen door bijvoorbeeld een testikeltumor
  • Verstoring van de geslachtshormonen (‘sex hormone imbalans’)
  • Hypothyreoïdie
  • Trauma
  • Obesitas

Zeker bij een overmaat aan ‘mannelijke’ geslachtshormonen (androgenen) is er een duidelijke verdikking van de huid te zien. Het hepatoïde klierweefsel maakt ook meer (zichtbaar) vet aan. 

De huid van rondom de vioolklier kan ook ontstoken of geïnfecteerd raken. De hond kan dan last krijgen en aan de staart willen bijten of likken (teken van jeuk of pijn). De huid kan geïrriteerd raken en kapot gaan. Bij infecties kunnen ook korstjes, huidplekjes en pus ontstaan. 

© 2020 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Bronvermelding: ESAVS Dermatology course II (2016), Masterproef “Onderzoek naar de staartklier bij de hond” door M. Verwoerd (’08-’09)

Pigment bij dieren

Huidskleur en pigment in de huid

De huid bestaat uit drie lagen: onderhuid, lederhuid en de opperhuid. De buitenste huidlaag is de opperhuid en bestaat uit meerdere cellagen. De opperhuid bestaat voor 85% uit keratinocyten. Er zijn ook bepaalde cellen in het lichaam die voor de aanmaak van pigment zorgen: melanocyten. Pigment wordt ook wel melanine genoemd. Melanine geeft kleur aan huid en haren. De keratinocyten van de opperhuid kunnen pigment opslaan. Bij het ouder worden produceren de melanocyten steeds minder pigment.  Als er veel pigment gevormd wordt dan kan de huid verkleuren (denk aan het bruin kleuren door de zon).

Pigment speelt een belangrijke rol in het beschermen tegen ultraviolet straling (hoe meer pigment, hoe beter de bescherming). Hoe meer pigment een huidcel (keratinocyt) bevat, hoe donkerder de huid toont. Naast het geven van kleur aan de huid, is melanine ook verantwoordelijk voor de kleur van de haren. Er zijn twee pigmentsoorten: eumelanine geeft een zwarte kleur en feomelanine een rode-bruine kleur. Witte dieren missen pigment.

Er bestaan meerdere (huid)aandoeningen die gepaard kunnen gaan met pigmentverlies of een overmatige vorming van pigment (zwartverkleuring van de huid).

Zwartverkleuring van de huid

Hyperpigmentatie is een mooi woord voor teveel aan pigment. Dit kan aangeboren of verkregen zijn.

Aangeboren aandoeningen zijn nevi, lentigo en acromelanisme. Lentigo zien we met name bij jonge rode katten (zie foto rechts). Het wordt gekenmerkt door kleine zwarte vlekjes op oren of rondom de bek/bij de lippen. Veel eigenaren zijn bezorgd als hun kat of hond dit laat zien, omdat ze denken dat het gaat om een melanoom (een vorm van huidkanker).

Verkregen hyperpigmentatie:

  • Fysiologisch: blootstelling aan UV-licht
    De melanocyten maken meer melanine aan om de cel(kern) te beschermen (zie foto bovenaan de pagina)
  • Stofwisselingsgerelateerd: hormonale aandoeningen
  • Door ontsteking: chronische ontsteking of irritatie
  • Door een virale infectie
  • Tumoren: melanoom, melanocytoom
lentigo kat
Lentigo bij de kat (zwarte vlekjes op de lippen)

Over het algemeen wordt zwartverkleuring van de huid veroorzaakt door een chronische ontsteking of irritatie van de huid of blootstelling aan UV-straling. Het laatste zien we voornamelijk bij honden en katten zonder vacht (naakthonden en -katten of dieren met kale plekken).

Hyperpigmentatie ten gevolge van ontsteking gaat vaak gepaard met verdikking van de huid. Er ontstaat dan een afwijkend gevormde huid. Dit proces is tot op zekere hoogte omkeerbaar.

Olifantshuid

olifantshuid

Zwartverkleuring en verdikking van de huid beschrijven we als ‘olifantshuid’ of ‘olifantenhuid’.

Katten zullen zelden een olifantshuid ontwikkelen. Bij honden daarentegen zien we dit zeer regelmatig.

Een olifantshuid kan ook na herhaaldelijk trauma optreden (denk aan ligplekken op ellebogen of hakken).

Meestal wordt de verdikking en zwartverkleuring van de huid veroorzaakt door een onderliggend probleem (huidallergieën, hormonale problemen), al dan niet met bijkomende huidinfecties. Het is daarom belangrijk om tijdig in te grijpen en een afspraak te maken bij de dierenarts.

Pigmentverlies

Verlies van pigment wordt minder vaak gezien dan hyperpigmentatie van de huid. Het komt met name bij honden voor maar ook katten kunnen pigmentverlies hebben. Zowel de huid als de haren kunnen het pigment verliezen.

Er zijn aangeboren of verkregen oorzaken van verlies van pigment. Bij aangeboren pigmentverlies moet men denken aan albinisme of andere aangeboren defecten. Bij honden komt ook nasale hypopigmentatie voor. Hierbij verliest de huid van de neus zijn kleur. We zien dit met name bij Golden Retrievers, blonde Labradors maar ook bij de Siberische Husky en Alaska Malamute.

Oorzaken verkregen pigmentverlies:

© 2020 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorspronkelijk gepubliceerd op 3 februari 2017
Laatste update; februari 2020

Allergische reacties bij de hond

Allergieën en allergische reactie

Vlooienallergie, voedselallergie en omgevingsallergie komen regelmatig voor. Daarnaast kennen we ook drie andere soorten overgevoeligheidsreactie: medicijnovergevoeligheid, muggenbeet-/insectenbeetovergevoeligheid en contactallergie. 

Maar bij de hond kennen we ook acute allergische reacties waarbij we drie uitingsvormen zien: angio-oedeem, urticaria en zgn. anafylactische shock. In dit artikel lees je hier meer over.

Allergische reacties worden regelmatig gezien maar minder vaak dan de typische allergieën. Er is echter weinig bekend over de oorzaken en exacte frequentie van deze acute allergische reacties. In februari 2017 is er een artikel over dit onderwerp gepubliceerd in het internationale tijdschrift “Veterinary Dermatology”. De auteurs van dit wetenschappelijke artikel wilde meer kennis over triggers en risico factoren verkrijgen. Onderaan dit artikel worden de resultaten van dit onderzoek beschreven.

Urticaria en angio-oedeem bij de hond

Bij de hond kennen we drie uitingen van een overgevoeligheidsreactie op vaak onbekende prikkels. Urticaria en angio-oedeem zijn relatief onschuldig in vergelijking met een anafylactische shock. Een anafylactische shock kan na een vaccinatie of insectenbeet binnen enkele minuten (tot enkele uurtjes) ontstaan. De honden storten acuut in elkaar (collaps), hebben bleke slijmvliezen en raken vrij snel in shock (coma, koude lichaamsuiteinden, zwakke pols). Een anafylactische shock is een levensbedreigende reactie en kan leiden tot sterfte van de hond als er niet tijdig ingegrepen wordt!
Bij honden is het shockorgaan de lever. Afwijkingen aan de lever leiden bij zo’n heftige allergische reactie tot braken en diarree (in meer dan 90% van de gevallen).
In de 6,5 jaar dat ik als dierenarts heb gewerkt, kan ik de honden met een anafylactische shock op één hand tellen (en ik heb het nooit na een vaccinatie gezien).

Netelroos (urticaria)

In de volksmond staan urticaria beter bekend als galbulten, netelroos of kwaddels. Het zijn zwellingen in de huid die al dan niet een jeukprikkel opwekken. Meestal zijn de bulten rood verkleurd. Vanaf een afstand lijkt het alsof de vacht uit elkaar staat (zie foto). Er zijn een aantal huidaandoeningen die kunnen lijken op netelroos: ontsteking van de haarzakjes (folliculitis) door bacteriën, schimmels of demodex mijten, ontsteking van bloedvaten in de huid (vasculitis) en andere immuungemedieerde aandoeningen.

Rode zwelling op de buik, net boven de tepel (rechts)

Gezwollen kop (angio-oedeem)

Angio-oedeem is het beste te beschrijven als een gelijkmatige zwelling van de kop, waarbij met name oogleden en lippen extreem dik worden. Oedeem is een overmatige ophoping van vocht op plekken waar het eigenlijk niet aanwezig hoort te zijn. De aangedane huid is vaak ook rood. Enkele voorbeelden van huidaandoeningen die op angio-oedeem kunnen lijken: juveniele en infectieuze cellulitis, probleem van de lymfevaten en huidtumoren (mast cel tumoren, lymfoom).

Angio-oedeem wordt met name gezien na een wespensteek (of andere insecten) en bij jonge dieren als reactie op één van de eerste vaccinaties.

Oorzaken en triggers

In veel gevallen lijkt de oorzaak onbekend. Prikkels en triggers kunnen immunologisch of niet-immunologisch zijn. Immunologische prikkels worden vaak aangestuurd door de aanmaak van antilichamen (IgE). Overmatige productie van antilichamen kan worden veroorzaakt door allergenen (stofjes uit de omgeving die een allergische reactie kunnen uitlokken), bacteriën, parasieten of auto-antilichamen (gericht op een onderdeel van het lichaam zelf). Niet-immunologische urticaria worden veroorzaakt door o.a. hitte, druk, kou en trillingen.

Bij mensen zijn de meest voorkomende triggers voor een anafylactische shock of urticaria voedsel, stekende of bijtende insecten, medicijnen, latex en inspanning. Co-factoren en risicofactoren zijn leeftijd, hoeveelheid van allergenen, stress, type allergenen (bv. pinda’s), atopie (omgevingsallergie), medicatie (ACE-remmers, beta-blokkers) en bepaalde aandoeningen (astma).

Mogelijke triggers bij honden (uit eerdere onderzoeken): vaccinaties, narcosemiddelen, voedsel, vergif, planten, medicijnen, glucocorticosteroïden, transfusie en contrastmiddelen. Anekdotisch worden zeldzame oorzaken genoemd zoals hitte, inspanning, zonlicht, loopsheid bij teefjes en parasieten van de ingewanden. Er is erg weinig bekend over co-factoren of risicofactoren voor het ontstaan van anafylactische shock of netelroos bij de hond.

Diagnose en behandeling

Over het algemeen is de diagnose snel en zonder aanvullend onderzoek gesteld. In veel gevallen zijn de symptomen in combinatie met de ziektegeschiedenis en anamnese passende bij een allergische reactie (op onbekende prikkel). Zoals hierboven beschreven staat, zijn er meerdere aandoeningen die kunnen lijken op netelroos of angio-oedeem. Bij twijfel kan de dierenarts dan aanvullende onderzoeken uitvoeren (bloedonderzoek, huidbiopten, etc.).

De behandeling is wisselend en hangt van de ernst van de klachten en de patiënt en eigenaar af. In veel gevallen trekken de galbulten (urticaria) vanzelf binnen 24-48 uur weg. Regelmatig geeft de dierenarts een kortwerkende glucocorticosteroïd injectie (prednisonachtige stofjes) om de allergische reactie uit te doven en de schade van de ontstekingsreactie te beperken. Soms wordt er (gelijktijdig) een injectie met een antihistaminica gegeven. 

Resultaten onderzoek

Titel van het onderzoek: “Triggers, risk factors and clinico-pathological features of urticaria in dogs – a prospective observational study of 24 cases”, in 2017 gepubliceerd in het journal Veterinary Dermatology.

In deze studie zijn gegevens van 20.000 honden onderzocht. Van deze 20.000 honden zijn er 24 honden met urticaria gediagnosticeerd. Per jaar nemen deze honden 0,12% van de populatie voor hun rekening (12 patiënten op 10.000). De gemiddelde leeftijd was 4 jaar en er waren meer teefjes dan reutjes in dit onderzoek. De meest voorkomende rassen met urticaria waren: Rhodesian ridgeback (3), Boxer (3), Beagle (2), Jack Russel terrier (2), Franse Bulldog (2) en Vizsla (2).

Bijna de helft van de honden (11) kreeg netelroos in het voorjaar, twee in de zomer, zeven in het najaar en vier in de winter. Drieëndertig procent van de honden ontwikkelde netelroos zonder anafylactische shock. Merendeel van de honden had enige mate van anafylaxe (67% totaal: 4 mild, negen matig en drie ernstig). In de helft van de honden met anafylaxe waren netelroos en angio-oedeem de eerste verschijnselen gevolgd door braken en diarree.

Oorzaken

Bij 17 van de 24 honden is de mogelijke oorzaak gevonden, bij 12 honden (50%) was deze oorzaak zeer waarschijnlijk en bij 5 honden waarschijnlijk. Geïdentificeerde oorzaken waren: insectenbeten of -steken (n=9), voedsel (n=5), medicijnen (n=2) en koude (n=1). Bij zeven honden is de oorzaak niet bewezen na aanvullende provocatie testen maar werd voedsel het meest waarschijnlijk geacht. De medicijnen die in verband zijn gebracht met het ontstaan van de klachten waren narcosemiddelen en immuuntherapie.

Bij enkele honden werd inspanning net voor het ontstaan van de klachten gezien en bij één hond stress en loopsheid.

In merendeel van de honden waarbij de allergische reactie door insecten werd veroorzaakt was angio-oedeem zichtbaar. Daarnaast zag men dat anafylaxe vaker gezien werd na insectenbeten (6 honden).

Opvallend was dat 11 van de 24 honden symptomen lieten zien die passen bij atopie (omgevingsallergie) en/of voedselovergevoeligheid. Het lijkt er dus op dat honden met een allergische huidaandoeningen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van netelroos of angio-oedeem (met of zonder anafylactische shock).

Discussie

In de literatuur is in meerdere onderzoeken beschreven dat kleine rassen gevoeliger zijn voor het ontwikkelen van anafylactische reacties. Er is zelfs één onderzoek dat beschrijft dat het aantal nadelige effecten van een vaccinatie verdubbeld kan zijn bij honden onder de 10 kg (*).
Het lijkt er op dat niet alleen het type allergeen maar ook de hoeveelheid een rol speelt in het ontstaan van allergische reacties. Echter zien we ook bij grotere rassen zoals Boxers, Labrador en Golden Retrievers vaker anafylactische reacties.

Er zijn studies gepubliceerd waarbij men geprobeerd heeft om triggers te identificeren en de rol van vaccinaties en andere diergeneesmiddelen bij het ontstaan van allergieën en allergische reacties te onderzoeken. Helaas zijn er tot op heden geen duidelijke verbanden aan te tonen en missen we tastbaar bewijs voor hedendaagse uitspraken dat dieren ziek worden van vaccinaties en andere diergeneesmiddelen. De dermatologen en andere specialisten van het Medisch Centrum voor Dieren hebben hier een aantal artikelen over geschreven:

  1. https://www.mcvoordieren.nl/vaccinaties-en-atopie
  2. https://www.mcvoordieren.nl/misvattingen-inenting-hond-kat

Er is dus nog steeds een hele hoop niet bekend over netelroos, angio-oedeem en oorzaken van anafylactische shock. Waarom zijn bepaalde honden gevoeliger dan andere (ras, leeftijd, geslacht, grootte)? We weten het niet.
Allergische honden lijken in ieder geval gevoeliger voor negatieve reacties op immunologische en niet-immunologische prikkels dan andere honden. 

Bronvermelding:

  • Rostaher et al 2017, Triggers, risk factors and clinico-pathological features of urticaria in dogs – a prospective observational study of 24 cases, Vet Dermatol. vol 28: 38-45
  • Small Animal Dermatology – a color atlas and therapeutic guide. Keith A. Hnilica
  • * Moore GE, Guptill LF, Ward MP et al. Adverse events diagnosed within three days of vaccine administration in dogs. J Am Vet Med Assoc 2005; 227: 1102-1108
© 2020 Huidadvies voor Dieren. 
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Te traag werkende schildklier: diagnose

dikke hond schildklier?

Hypothyreoïdie bij de hond

Een van de meest voorkomende hormonale aandoeningen bij de hond is hypothyreoïdie. ‘Hypo’ betekent weinig of minder dan en ‘ thyroïd’ is de medische term voor schildklier.
Bij hypothyreoïdie werkt de schildklier niet zoals het hoort en is er een tekort aan schildklierhormonen. Er wordt vaak gezegd dat de hond dan een te traag werkende schildklier heeft maar in werkelijkheid is er sprake van ernstige functieverlies tot verwoesting van de schildklier.

Oorzaak van het tekort

Bij meeste honden is er sprake van een verwoesting van de schildklier. Dit gaat gepaard met vele klachten omdat schildklierhormonen een belangrijke rol in de stofwisseling innemen.

Er zijn twee oorzaken voor de verwoesting van de schildklier. De schildklier kan door een auto-immuun reactie kapot gaan of door onbekende oorzaak, in het laatste geval noemen we het ‘idiopathisch’. Aan de buitenkant kunnen we niet zien of het om de immuungemedieerde of idiopathische variant gaat.

Bij de auto-immuun variant maakt het afweersysteem antilichamen tegen de cellen van de schildklier aan. Hierdoor raakt de schildklier ontstoken en gaat het weefsel kapot. Deze immuungemedieerde schildklieraandoening kent een genetische basis. Hypothyreoïdie komt dan ook bij bepaalde hondenrassen vaker voor. 

De schildklierpatiënt

De diagnose ‘hypothyreoïdie’ als oorzaak van huidklachten wordt in de praktijk erg vaak gesteld. Ondanks het één van de meest voorkomende hormonale problemen is, is deze aandoening in de dermatologie overgediagnosticeerd. Dat betekent dat veel honden gediagnosticeerd worden met een te traag werkende schildklier terwijl dit niet de werkelijke oorzaak van de huidklachten is.

Het verwarrende is dat veel honden met een normale schildklierfunctie alsnog verbeteren op schildkliermedicatie. Er wordt zelfs geschat dat ongeveer 60-70% van de honden die behandeld worden met schildklierhormoon géén hypothyreoïdie heeft, aldus prof. dr. Hans Kooistra.

De diagnose “Hypothyreoïdie”

Het beoordelen van de schildklierfunctie wordt meestal via een bloedonderzoek gedaan. Er zijn veel factoren die de aanwezigheid van het schildklierhormoon in het bloed beïnvloeden. Denk hierbij aan de leeftijd van de hond, het ras, lichaamsconditie, grootte van het dier, inspanning en medicijnen (bv. NSAIDs, hartmedicatie).

Ook gedurende de dag varieert de concentratie van het schildklierhormoon in het bloed. Het tijdstip van de bloedafname kan dus technisch gezien van invloed zijn.
In de praktijk betekent dit dat een hond met een gezonde schildklierfunctie op een bepaald moment van de dag een te lage schildklierwaarde kan hebben. Maar dat wil niet meteen betekenen dat de hond een te traag werkende schildklier heeft.

Totaal T4: totaal thyroxine concentratie in het bloed

Om in de praktijk te voorkomen dat er een verkeerde diagnose wordt gesteld, is het advies om de schildklierwaarde (totaal T4) alleen te bepalen bij dieren met klachten die passen bij hypothyreoïdie.

De totale thyroxine concentratie in het bloed noemen we het totaal T4. Het is een goede screening test: 90% van de honden met hypothyreoïdie heeft een lage totaal T4 waarde. Ongeveer 10% heeft een laag-normale T4 waarde.

Vrij totaal T4

De meest gevoelige en betrouwbare bloedtest om de schildklierfunctie te bepalen is het vrije totaal T4. Deze test kost iets meer geld en kan niet bij elk laboratorium uitgevoerd worden. De sensitiviteit en specificiteit van deze test liggen boven de 90% waardoor de kans op vals positieve én negatieve uitslagen klein is.

TSH waarde

In combinatie met de TSH waarde kunnen we met meer zekerheid de juiste diagnose stellen (sensitiviteit en specificiteit stijgen tot 100% bij een laag totaal T4 of vrij totaal T4).

TSH staat voor thyreoïd (=schildklier) stimulerend hormoon. Als er te weinig schildklierhormoon (T4) in het bloed circuleert dan wordt er meer TSH afgegeven in de hersenen. Dit hormoon stimuleert de schildklier om meer schildklierhormoon te produceren. Bij een te traag werkende schildklier en te weinig schildklierhormoon verwachten we dus een hoge TSH waarde.

Helaas is de TSH waarde maar bij 65-75% van de honden met hypothyreoïdie verhoogd. Dat betekent dat 25-35%  van de honden mét hypothyreoïdie een normale TSH waarde heeft.

Het advies: welke testen zijn belangrijk?

Geen enkele test is 100% betrouwbaar.

Om de schildklierfunctie te beoordelen is het combineren van testen belangrijk. En misschien is het wel het allerbelangrijkste dat het plaatje moet kloppen.
De hond moet dus klachten hebben passende bij hypothyreoïdie. Alleen op basis van een lage T4 waarde kunnen we geen diagnose stellen!

Voor het stellen van de diagnose ‘hypothyreoïdie’ is het advies om de totaal T4 waarde (en/of vrij totaal T4) te bepalen samen met de TSH waarde én deze resultaten te beoordelen op basis van de klachten van de hond.

Wanneer klopt het plaatje?

Een typische hond met hypothyreoïdie is:

  • van middelbare leeftijd (gemiddelde leeftijd = 7 jaar)
  • een rashond
  • sloom
  • sneller moe
  • te zwaar ondanks geen veranderingen in voedselpatroon

Daarnaast hebben veel honden met hypothyreoïdie:

  • kaalheid (meestal op flanken, symmetrisch aan beide kanten)
  • bijkomende huidinfecties (en daardoor jeuk)
  • seborroe (droge of juist vette vacht en huid)

Minder voorkomende symptomen:

  • teef: onvruchtbaarheid / afwijkende loopsheid
  • myxoedeem (zorgt voor ‘tragische’ gezichtsuitdrukking)
  • hart- en vaatafwijking (o.a. trage hartslag)
  • afwijkingen aan spieren en zenuwen (kreupelheid, stijfheid)
  • oorontsteking
  • gegeneraliseerde demodicosis (demodex mijten)

Hormonale kaalheid

Bij meer dan 70% van de honden met hypothyreoïdie wordt hormonale kaalheid gezien. De kaalheid kan zich op twee manieren uiten:

  • Complete kaalheid (alopecia)
  • Verminderde beharing (hypotrichosis)

Bij symmetrische kaalheid van de flanken (zowel links als rechts) denken mensen meteen aan hormonale problemen zoals hypothyreoïdie of de ziekte van Cushing. Echter begint de kaalheid meestal niet op de flanken. Veel honden ontwikkelen kale plekken of dunne beharing op plekken die blootgesteld worden aan wrijving: staart, buik, achterzijde dijen en neusrug. Pas later ontstaat de typische kaalheid op de flanken.

Maar mijn hond heeft huidklachten én een te lage schildklierwaarde ...

Het komt regelmatig voor dat honden met huidklachten gediagnosticeerd worden met hypothyreoïdie terwijl de schildklier prima functioneert. Er wordt toch een lage schildklierwaarde gemeten en met schikdkliermedicatie knapt de hond zienderogen op. 

Wat is er aan de hand?

‘Sick Euthyreoid Syndroom’ – SES

We spreken van SES als een dier ziek is en de ziekte de uitslag van de schildkliertesten beïnvloed. De ziekte heeft echter meestal geen direct effect op de schildklier.

Hoe ernstiger de ziekte, hoe groter de veranderingen van de schildklierwaarde. Het vrije totaal T4 wordt minder beïnvloed door ziekte dan de totaal T4 waarde, de TSH waarde wordt zelden beïnvloed. Een lage T4 waarde bij een ziek dier kan dus voor een onterechte diagnose ‘hypothyreoïdie’ leiden.

Conclusie

Hypothyreoïdie is één van de meest voorkomende hormonale ziektes bij honden. Helaas is het stellen van de diagnose niet zo eenvoudig als het lijkt. Veel honden worden ten onrechte met schildkliermedicatie behandeld. Om deze reden is het belangrijk dat we de juiste testen aanvragen bij de juiste patiënten. Niet elke hond met kaalheid of elke slome hond met overgewicht heeft hypothyreoïdie.

© 2020 Huidadvies voor dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorspronkelijk gepubliceerd in 2018.

Pemphigus foliaceus bij de hond

Auto-immuun aandoening van de huid

Pemphigus is een van de auto-immuun aandoeningen van de huid die we bij honden en katten zien. Exacte getallen zijn niet bekend maar pemphigus foliaceus (PF) is één van de meest voorkomende auto-immuun aandoeningen.

Bij honden en katten kennen we vijf varianten:

  1. Pemphigus foliaceus (PF)
  2. Pemphigus erythematosus (PE)
  3. Panepidermale pustuleuze pemphigus (PPP)
  4. Pemphigus vulgaris (PV)
  5. Paraneoplastische pemphigus (PNP)

Van de vijf pemphigus varianten wordt PF veruit het meest gezien.

Ontstaan van de klachten

Auto-immuun aandoeningen ontstaan doordat het afweersysteem lichaamseigen cellen, -eiwitten of andere structuren aanziet voor lichaamsvreemd. Het immuunsysteem maakt antilichamen aan om de ‘vreemde’ structuur te markeren. Vervolgens kunnen speciale cellen van het immuunsysteem ze opruimen.

We weten niet precies waarom het lichaam eigen cellen of weefsels voor lichaamsvreemd aanziet. Er gaat iets mis waardoor het immuunsysteem abnormaal functioneert. Bij mensen en honden bestaat er een sterke genetische predispositie: we zien pemphigus foliaceus bijvoorbeeld vaker bij Akita’s en Chow Chows. Het lijkt erop dat dit foutje in de reactie van het afweersysteem terug te vinden is in de genen en aan nakomelingen overgedragen wordt.

Naast erfelijke factoren of foutjes in het DNA zijn infectieuze oorzaken(bv. virussen), (dier)geneesmiddelen in de breedte zin en chronische huidziekten genoemd als mogelijke triggers voor het ontstaan van pemphigus. Meestal is de precieze oorzaak van het ontstaan van pemphigus niet te achterhalen.

Wat gaat er mis op celniveau?

Het pemphigus-complex kenmerkt zich door de vorming van blaasjes of blaren die zich verder ontwikkelen tot pukkels (pustels) en korsten. De blaasjes worden gevormd doordat het afweersysteem specifieke eiwitten en structuren in de opperhuid aanvalt. Hierdoor laat de huid als het ware los en ontstaan er blaasjes of blaren. 

Op celniveau zijn huidcellen van de opperhuid (keratinocyten) bij pemphigus niet meer goed met elkaar verbonden. Een karakteristiek verschijnsel van pemphigus foliaceus (PF) is ‘acantholyse‘. De dierenarts of dermatoloog kan met cytologisch onderzoek van de huid acantholytische cellen waarnemen. De dierenarts drukt met een objectglaasje op de huid (= het maken van een afdrukpreparaat) en kan zo de huidcellen onder de microscoop bekijken (= cytologisch onderzoek).

Acantholytische cellen zijn kenmerkend voor o.a. pemphigus foliaceus. Het zijn grote keratinocyten (huidcellen) met een grote celkern: ze zijn te vroeg losgelaten waardoor de celkern niet verloren is gegaan. Normale huidcellen zijn afgeplat en hebben een kleinere of afwezige celkern. Dode huidcellen zonder kern noemen we corneocyten.

In onderstaande simplistische illustratie zijn huidcellen afgebeeld. De rode en groene balkjes stellen desmosomen voor. Dit zijn speciale eiwitstructuren die huidcellen onderling met elkaar verbinden zodat er een stevige verbinding ontstaat. De opperhuid is immers de eerste afweer tegen indringers van buitenaf. Voor meerdere functies van de afweer en huid is dus erg belangrijk dat de huidcellen goed met elkaar verbonden zijn. 

Bij pemphigus foliaceus worden er antilichamen tegen desmosomen aangemaakt waardoor de cellen onderling loslaten. Binnen het pemphigus-complex zijn er verschillende varianten en dit heeft deels te maken met het type desmosoom dat als ‘target van de aanval’ dient. Bij de ene pemphigus valt het lichaam bv de rode balkjes aan en bij de andere de groene. 

desmosomen pemphigus

Symptomen

Wat zien we? – puistjes/pukkels (pustels), blaasjes (vesikels) korsten, erosies (schaafplekken), ulcers (zweertjes) en kaalheid. Soms hebben honden jeuk. Ze kunnen ook bijkomende huidinfecties ontwikkelen en daardoor lijken op allergische huidpatiënten.

Waar op het lichaam? – kop, aangezicht, oorschelpen, voetzooltjes. De huid rondom de ogen, op de neusrug en oorschelpen zijn het meest betrokken.

Afhankelijk van het ras, trigger en cyclische aard van de aandoening komen de symptomen lokaal of gegeneraliseerd voor. Als de symptomen over het hele lichaam gezien worden (gegeneraliseerd), kan het dier ook koorts hebben en sloom zijn. 

Omdat het in de opperhuid mis gaat, en de huid van honden relatief dun is (in vergelijking met mensen), zien we zelden blaasjes en pustels zeldzaam. Ze gaan snel kapot waardoor we meestal ‘epidermale collarettes’, schilfertjes en met name korsten zien. Epidermale collarettes zijn ronde kringen met kleine schilfers of korstjes. Een roodheid of een rode rand hoeft niet altijd gezien te worden. Op de foto rechts onder zijn twee epidermale collarettes te zien. Deze huidafwijking zien we zeer regelmatig bij bacteriële huidinfecties. 

collarette (geen copyright)

Toelichting enkele begrippen:

  • Pustel: ook wel puistje genoemd, het is een klein blaasje gevuld met cellen (soms een rode rand). De pustel ligt in de opperhuid. Ze kunnen witte bloedcellen of pus bevatten. We zien ze vaak bij immuungemedieerde aandoeningen of bacteriële huidproblemen.
  • Blaasje: ook wel vesikel genoemd, het is een klein blaasje gevuld met heldere vloeistof. Ze gaan snel kapot. We zien ze vaak bij immuungemedieerde of virale aandoeningen.
  • Erosie: oppervlakkig maar klein defect in de opperhuid (het basaalmembraan blijft intact)
  • Ulcer: defect in opperhuid die doorloopt tot in de lederhuid (het basaalmembraan is beschadigd)
  • Epidermale collarette: specifieke schilfering van de opperhuid. Meestal ontstaat de schilfering door het open barsten van een pustel of blaasje. Een veelvoorkomend kenmerk van een bacteriële huidinfectie.
  • Korst: ingedroogd materiaal afkomstig van bv. serum of pus

Diagnose en behandeling

De diagnose wordt gesteld door weefselonderzoek (histopathologie) van huidbiopten. De dierenarts kan denken aan een auto-immuunaandoening als de klachten op oudere leeftijd zijn ontstaan, de huidklachten op specifieke plekken op het lichaam aanwezig zijn (voetzooltjes, oorschelpen), een allergie niet waarschijnlijk is of de hond slecht reageert op ingestelde behandelingen. Over het algemeen zullen er in de anamnese, het lichamelijk onderzoek en aanvullende testen (schimmelkweek, cytologisch onderzoek) aanwijzingen naar voren komen die wijzen richting een auto-immuunaandoening.

De dierenarts kan pemphigus foliaceus op meerdere manieren behandelen. Meestal werken combinatie-protocollen beter dan een mono-therapie waarbij men gebruik maakt van één medicijn of geneesmiddel.

Veel gebruikte medicijnen zijn:

  • Glucocorticosteroïden
  • Azathioprine
  • Chloorambucil
  • Doxycycline (antibiotica) en niacinamide (vitamine B3)
  • vitamine E
  • Essentiële vetzuren
  • Tacrolimus zalf/crème
  • Lokale glucocorticosteroïden

Het is belangrijk om gedurende de behandeling regelmatig voor controle bij de dierenarts langs te gaan. De symptomen van pemphigus foliaceus zien we ook bij oppervlakkige huidinfecties met bacteriën. Honden met een afwijkende functie van het afweersysteem en defecte huidbarrière zijn tevens gevoeliger voor het ontwikkelen van bacteriële huidinfecties.

Als het dier medicatie krijgt om de reactie van het afweersysteem aan te passen (remmen/onderdrukken) kan deze gevoelig worden voor infecties. Om deze redenen is het erg belangrijk om te blijven controleren of de huidplekjes niet door bacteriën veroorzaakt worden. Bijkomende huidinfecties dienen behandeld te worden waarbij antibioticaresistentie voorkomen moet worden (herhaaldelijk gebruik van antibiotica wordt dus afgeraden).

Prognose

De prognose is variabel en hangt van meerdere factoren af. De uitgebreidheid en ernst van de huidafwijkingen, respons op behandeling, tolerantie van de behandeling, kosten van de medicatie en monitoring/controles bepalen doorgaans het succes van de behandeling. De ervaring en kennis van de behandelaar speelt ook een rol. Sommige honden hebben een gereserveerde prognose en andere honden reageren goed op behandelingen en zijn lange periodes klachtenvrij. Meeste honden hebben levenslange behandeling nodig met één of meerdere geneesmiddelen, echter zien we af en toe complete genezing (als de afwijkende reactie van het afweersysteem door een medicijn getriggerd wordt en de behandeling tijdig gestart wordt). 

© 2020 Huidadvies voor Dieren.
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Laatste update jan 2020. Oorspronkelijk gepubliceerd in 2017

Bronvermelding: ESVD 29th Annual Congress, ESAVS Dermatology course III

Ontsmettende doekjes (wipes)

doekje

Behandeling van huidinfecties

Er bestaan veel verschillende soorten ziekteverwekkers. Huidinfecties kunnen door bacteriën, gisten of schimmels veroorzaakt worden. Niet elke infectie wordt op dezelfde manier behandeld. Tegenwoordig kunnen we gelukkig op meerdere manieren huidinfecties bij honden, katten en andere dieren behandelen. 

Er bestaan meerdere soorten bacteriële huidinfecties; oppervlakte, oppervlakkige en diepe infecties. Bij de behandeling heeft het gebruik van antibiotica sinds enkele jaren een andere plek gekregen. Antibiotica resistentie is natuurlijk één van de belangrijkste redenen hiervoor. Het is belangrijk dat we met z’n alle proberen zo min mogelijk antibiotica te gebruiken en hier verstandig mee omgaan. Het gebruik van antiseptische huidverzorgingsproducten is dan ook in opkomst.

Een andere veelvoorkomende huidinfectie is Malassezia dermatitis. De infectie wordt veroorzaakt door een overgroei van gisten waarbij er vrijwel altijd een onderliggende oorzaak te vinden is. Gisten zijn eencellige schimmels en worden meestal lokaal behandeld met een medicinale shampoo. Soms zijn orale anti-schimmel medicijnen nodig.

Lees meer over huidinfecties door bacteriën en gisten in het artikel “Huidinfecties bij de hond“.

Bij de behandeling van een dermatophytose (schimmelinfectie) is vaak een combinatie van lokale en systemische anti-schimmel middelen nodig. Gelukkig komen schimmelinfecties bij honden en katten niet vaak voor. Lees meer over dermatophytose in het artikel “Schimmelinfecties bij hond en kat“.

Alternatief voor antibiotica en andere medicatie

Naast antibiotica en anti-schimmel middelen bestaan er veel ingrediënten die tegen diverse micro-organismen ingezet kunnen worden. Voorbeelden van werkzame stoffen en ingrediënten zijn honing, chloorhexidine en azijnzuur. 

Er zijn verschillende soorten producten met antiseptische ingrediënten verkrijgbaar: shampoo, mousse, spray, zalf, gel, doekjes etc. 

Ontsmettende doekjes

Wanneer kun je de doekjes gebruiken?

  • Ontstekingen van huidplooien (neus, staart, lip)
  • Reiniging van nagelbed, tussenteenhuid, oorschelp en kin van allergische honden met terugkerende huidinfecties
  • Kin acne bij hond of kat
  • Lipplooi eczeem bij de hond
  • Aanvullend op antibiotica behandeling van huidinfecties
  • Puppypyodermie: huidinfectie van de buik  bij puppies en jonge honden
  • Reiniging van gebied rondom vulva bij honden met urine incontinentie (voorkomen of behandelen van urinebrand) of overgewicht
  • Aanvullend op de behandeling van hotspots

Overzicht:

maxani chloorhexidine wipes

Maxani chloorhexidine doekjes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine 
  • Aloë vera
  • Glycerine
  • Benzoëzuur (E210)
  • Vitamine E
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties

*40 stuks per verpakking

dermoscent pyoclean wipes

Dermoscent® PYOclean wipes

Ingrediënten
  • Plantaardige olie van hennep
  • PhytoC-2® (plantenextract)
  • Essentiële olie van Cajputi
  • Allantoïne
  • Lipo-aminozuren van groene appels & extracten van zeepkruid (Saponaria wortel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en milde Malassezia dermatitis

*20 stuks per verpakking

douxo pyo pads

Douxo® PYO pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • Phytosphingosine
  • Groene thee extracten
  • Parfum (zeer mild)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*30 stuks per verpakking

dermazyme pyo pads

Dermazyme® Pyo Chloorhexidine pads

Ingrediënten
  • Chloorhexidine (3%)
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

dermazyme pyo microsilver pads

Dermazyme® Pyo Microsilver pads

Ingrediënten
  • Climbazol (0,5%)
  • MicroSilver BGTM (0,1%)
  • Ceramide III (0,05%)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*50 stuks per verpakking

malacetic wipes

MalAcetic wipes

Ingrediënten
  • Azijnzuur (2%)
  • Boorzuur (2%)
  • Propyleenglycol
  • Polysorbaat
  • Glycerine
  • Geurstof (appel)
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*100 stuks per verpakking

CLX wipes

CLX wipes

Ingrediënten
  • Chloorhexidine
  • Tris-EDTA
  • Zinkgluconaat
  • Glycerine
  • Climbazol
  • Benzylalcohol
  • Propyleenglycol
  • Parfum
  • Gedemineraliseerd water
Te gebruiken bij bacteriële huidinfecties en Malassezia dermatitis

*40 stuks per verpakking

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Schimmelinfecties bij hond en kat

schimmel microscopie

Dermatophytose

Dermatophytose is een oppervlakkige schimmelinfectie van de huid bij honden en katten. Veel mensen noemen deze huidaandoening ook wel ringworm. Deze naam komt van de klassieke huidafwijking die we bij mensen zien: een ronde, rode ‘ring’. 

Merendeel van de schimmelinfecties bij dieren worden veroorzaakt door Microsporum canis, Microsporum gypseum en Trichophyton soorten (spp.). Bij de kat wordt meer dan 90% van de infecties door M. canis veroorzaakt. Bij de hond zien we vaker problemen door M. gypseum en Trichophyton. Er zijn meer dan 20 dermatophytsoorten bekend bij hond en kat. Dermatophyten zijn schimmels die infecties van huid, haren of nagels veroorzaken. 

Hoewel we in de praktijk dagelijks huidpatiënten zien, komen schimmelinfecties bij hond en kat maar weinig voor. Ongeveer 0-4% van de dieren heeft hier last van. Er wordt dan ook tegenwoordig gezegd: “It is NOT ringworm until proven“.

Dieren kunnen een schimmelinfectie oplopen na direct contact met sporen die ín de vacht aanwezig zijn. Besmet raken via sporen in de omgeving is zeldzaam. Sporen in de omgeving vormen alleen een risico als de huid beschadigd is en de sporen via een object met de huid in aanraking komen (denk dan aan een borstel of scheerapparaat). Sporen van dermatophyten hebben namelijk keratine nodig om te overleven en kunnen niet zomaar aan de huid vasthechten. Keratine is een eiwit van het lichaam dat onder andere in de opperhuid, nagels en haren van mens en veel diersoorten voorkomt.

Risicofactoren

  1. Leeftijd: zowel jonge als oude dieren zijn meer gevoelig voor het oplopen van schimmelinfecties
  2. Vachtconditie: slechte vachtverzorging bij langharige katten maakt ze gevoeliger voor schimmelinfecties (de sporen worden niet goed uit de vacht verwijderd). Dit geldt ook voor dieren met vilt of klitten
  3. Verlaagde afweer: door een onderliggende aandoening, willekeurige ziekte, andere omstandigheden (bv. dracht) of immuunonderdrukkende medicatie (zoals prednisolon) 
  4. Landelijke omgeving / ‘life style’: deze dieren hebben vaker kleine huidbeschadigingen of worden direct blootgesteld aan besmette dieren (wilde knaagdieren) of objecten
  5. Parasieten van de huid (vlooien, mijten), jeuk en andere huidinfecties: door microtrauma van de huid neemt de gevoeligheid voor dermatophytose toe
  6. Warmte en vochtigheid: predisponeren voor schimmelinfecties
  7. Kennel, cattery, honden- of kattenshow, pension, uitlaatservice: maar ook andere plekken waar honden of katten veel met elkaar in contact komen, zij hebben een groter risico

Zoönose

Dermatophytose is een zoönose. Alle genoemde dermatophyten kunnen de mens infecteren.
Het is echter geen ernstige ziekte voor de mens (of dier) en het is gelukkig ook niet ongeneselijk!

Bij mensen zien we vaker schimmelinfecties door een verminderde afweer (kinderen, ouderen, chronisch zieke personen). De schimmel dringt de buitenste laag van de huid binnen, groeit daar en vormt sporen. Via de sporen kan de infectie zich verspreiden (ook naar andere personen of zelfs dieren). De schimmel veroorzaakt een typische rode, ronde ring die vaak steeds groter wordt. De huidplek geneest vanuit het midden en gaat uiteindelijk vanzelf weer weg. Bij mensen met een verminderde afweer kan de infectie heviger zijn en meer klachten met zich mee brengen. De genezing duurt dan vaak ook langer doordat het afweersysteem niet goed functioneert.

Lees meer over ringworm bij mensen op de website van het RIVM

Hoe ontstaan de klachten?

Een hond of kat raakt besmet met dermatophyten na direct contact met schimmelsporen. Dit kan op twee manieren gebeuren: via een besmet dier of via zogenaamde ‘fomieten’. Fomieten zijn objecten die pathogenen overbrengen. Bijvoorbeeld: dekentjes, mandjes, borstels of kooien. 

Een gezond dier krijgt niet zomaar ringworm. De huid moet beschadigd zijn alvorens de schimmelsporen zich kunnen vasthechten en koloniseren. 

Na direct contact met de sporen, zullen deze binnen 12 uur ‘ontkiemen’ en binnen 24 uur zijn de sporen de haar of huid binnengedrongen via speciale vezeltjes (‘fibrils’). Meeste schimmelinfecties zijn zelflimiterend. Het afweersysteem van de hond of kat ruimt de indringer op via een ontstekingsreactie en versnelde celdeling van de opperhuid (keratinisatie). Dermatophyten hebben echter de nare eigenschap om de reactie van het afweersysteem te omzeilen of aan te passen. Het lichaam kan de infectie niet klaren en het dier wordt ziek. 

We zien schimmelinfecties daarom vooral bij dieren waarbij het afweersysteem verzwakt is (jonge, oude of zieke dieren). 

Symptomen

Hond

Schimmelinfecties bij de hond gaan gepaard met verlies van haren. De schimmelsporen tasten de haren aan waardoor deze afbreken en het dier kaal lijkt te worden.

De kaalheid (alopecia) kan gepaard gaan met:

  • schilfers
  • korstvorming
  • roodheid van de huid
  • verdikking van de huid (lichenificatie)
  • zwartverkleuring van de huid (hyperpigmentatie)

Over het algemeen heeft de hond meerdere kale plekken. Deze kunnen rond of onregelmatig van vorm zijn. Bij kortharige honden met ronde kale plekken (niet symmetrisch) moeten we ook denken aan een bacteriële huidinfectie of demodicosis (mijten). 

Een hond met ringworm hoeft niet perse jeuk te hebben. Dit is eerder een uitzondering dan de regel, het hangt ook af van de soort schimmel waarmee het dier besmet is.

folliculitis hond
plek met schilfers en korsten

Kat

De symptomen bij een kat worden deels bepaald door de algehele gezondheid van de kat. Een kat met een hele heftige schimmelinfectie heeft dus eigenlijk meer last van de onderliggende ziekte dan de schimmel zelf. 

Bij de kat kennen we drie soorten infecties:

  • Simpele infectie
    Gezonde katten of kittens met beperkte en milde klachten. Genezen ook snel met of zonder behandeling. 
  • Gecompliceerde infectie
    Katten met uitgebreide klachten en een onderliggende ziekte (meestal voorste luchtweg problemen zoals niesziekte). Ze hebben vaak lange haren en huidontstekingen. Katten met gecompliceerde infecties zijn moeilijker te behandelen; het duurt vaak lang en recidieven komen voor.
  • Dragers
    Katten (vaak langharige) die sporen met zich meedragen maar zelf geen klachten hebben. Ze worden ook wel ‘stof moppen’ genoemd. 

Het kan lastig zijn om een schimmelinfectie te diagnosticeren. De klinische klachten zijn zeer variabel. Sommige katten hebben milde en aspecifieke klachten, terwijl andere hele heftige symptomen vertonen.

Ook bij de kat gaat een schimmelinfectie gepaard met verlies van haren (ze breken af). Andere mogelijke symptomen:

  • Kaalheid, met name op kop, oren en poten
  • Afgebroken haren
  • Schilferige huid
  • Roodheid
  • Hele fijne schilfering in de vacht (‘sigaretten as’)
  • Feline Acne
  • Korstvorming

Sommige katten hebben klachten die passen bij een vlooienallergie (miliaire dermatitis: kleine korstjes) of hebben last van symmetrische alopecia. 

kat met schimmel
Korstvorming op de neus
korstjes in aangezicht kat
Kleine wondjes in het aangezicht

Raspredispositie

  • Perzisch langhaar (Pers) (M. canis)
  • Jack Russel Terriër (M. gypseum via wilde knaagdieren)
  • Yorkshire Terriër (M. canis)

Daarnaast worden schimmelinfecties vaker bij zwerfkatten en jachthonden gezien.

Diagnose

Ringworm bij de hond of kat gaat niet gepaard met symptomen die alleen bij schimmelinfecties gezien worden. Zogenaamde pathognomonische huidafwijkingen ontbreken. Vandaar dat er ook gezegd wordt dat een dier pas een schimmelinfectie heeft als dit bewezen is. 

Maar hoe wordt de diagnose gesteld?

Er is geen gouden standaard test en specialisten adviseren om de diagnose met behulp van meerdere testen te stellen. In de praktijk maken de meeste dierenartsen gebruik van een schimmelkweek. Deze testen zijn mogelijk:

  • Microscopisch onderzoek van een haarpluksel (trichogram) en huidafkrabsel
  • Schimmelkweek
  • PCR schimmeltest
  • Huidbiopt(en)

Tot slot kan de dierenarts of dermatoloog de Woodse lamp gebruiken als hulpmiddel. Elk onderzoek heeft z’n nadelen. Een betrouwbare uitslag begint tevens bij representatief genomen monster en de ervaring/kennis van de dierenarts. Op de website van VdQd staat heel mooi beschreven waar het in de praktijk fout kan gaan.

Klik op onderstaande kopjes om meer te lezen.

De beste manier om materiaal te verzamelen voor microscopisch onderzoek is de combinatie van haarpluksels en afkrabsels van verdachte huidplekjes. Het vinden van schimmelharen, sporen of hyfen is niet moeilijker dan het microscopisch onderzoek van mijten, bacteriën of gisten. Het vergt echter wel ervaring en kennis van de dierenarts. Met dit onderzoek kan de dierenarts níet bepalen om welke schimmelsoort het gaat.

Door de haren en huidmonsters onder de microscoop te bekijken, kan de dierenarts (mét ervaring) schimmelsporen, hyfen of schimmelharen detecteren. Het vinden van schimmelharen is diagnostisch voor een schimmelinfectie. Samen met huidbiopten is dit enige test waarbij men direct de schimmelinfectie kan waarnemen.

Er wordt geadviseerd om de geïnfecteerde haren te gebruiken voor een schimmelkweek zodat de schimmelsoort gedetermineerd kan worden.  

Bij een schimmelkweek neemt de dierenarts ook monsters van verdachte huidplekjes (haren, schilfers, huid), het liefst aan de rand. Het verkregen materiaal wordt op een speciale groeiplaat aangebracht en kan direct in de praktijk op kweek gezet worden. De dierenarts kan er ook voor kiezen om het monster op te sturen naar een extern laboratorium. Daar zullen getrainde en ervaren laboranten de monsters ‘incuberen’ en beoordelen. 

Dit onderzoek is de enige manier om te beoordelen om welke schimmelsoort en -stam het gaat. Meestal zien we binnen 10-14 dagen groei van witte platte koloniën. Als er gebruik gemaakt wordt van een DTM (Dermatophyte Test Medium) dan hoort er ook een kleuromslag waargenomen te worden (van geel naar rood). 

Het is mogelijk dat de test geen betrouwbare uitslag geeft. De test kan vals negatief zijn als er zgn. saprofieten of andere schimmel op de plaat groeien. Zij zijn minder selectief en benutten alle voedingsstoffen uit de groeiplaat waardoor de ware dermatophyten niet zullen groeien. De test kan ook vals positief zijn. Dit heeft meestal te maken met het aflezen van de test of besmetting via objecten uit de omgeving. 

PCR onderzoek voor dermatophytoses is een relatief nieuwe testmogelijkheid. Het grootste voordeel van deze test is dat de uitslag binnen enkele dagen bekend is, in tegenstelling tot de schimmelkweek waarbij het 1-2 weken duurt. 

De PCR test bepaalt of er DNA van schimmels aanwezig is in het opgestuurde monster (meestal haren). In feite zegt de uitslag van de test niet dat de huidplekjes perse door een schimmel veroorzaakt worden. 
Veel dermatologen maken daarom nog steeds gebruik van een schimmelkweek i.c.m. microscopisch onderzoek. 

Het nemen van huidbiopten voor de diagnose van een schimmelinfectie is bij meeste gevallen niet nodig. Het diagnosticeren van een schimmelinfectie via een huidbiopt gebeurt vaak bij ongewone of zeldzame infecties. 

Hoe zit het dan met de Woodse lamp?
Op het jaarlijkse Europese dermatologie congres (’19) heeft dermatoloog en schimmelexpert Moriello uitgelegd hoe deze lamp werkt en dat het als hulpmiddel gebruikt kan worden. De nadruk in diverse lezingen lag op het feit dat het géén diagnostische test is en dus niet gebruikt kan worden om de diagnose te stellen.

De Woodse lamp is niet perse hetzelfde als een gewone UV lamp of ‘blacklight’. Om een dergelijke lamp voor medische doeleinden te gebruiken, moet de lamp aan een aantal ‘eisen’ voldoen: golflengte van de UV stralen moet tussen de 320 en 400 nm liggen, de lamp moet zonder batterijen functioneren (op stroom) en bij voorkeur een vergrootglas hebben. 

Het onderzoek moet plaatsvinden in een donkere kamer en de Woodse lamp moet dicht op de huid gehouden worden voor een betrouwbare uitslag. Niet alle schimmelsoorten fluoresceren met de Woodse lamp. Als het dier een Microsporum canis infectie heeft dan kleuren de haren appeltjes groen (fluoresceren). Bij onbehandelde dieren kleuren de haren in 90% van de gevallen op.
Maar er zijn meer dingen die fluoresceren, denk aan korstjes en schilfers, zalfjes, talg. Het is dus belangrijk dat de onderzoeker (vaak een dierenarts) weet waar hij/zij naar moet kijken en wanneer de Woodse lamp werkelijk positief is. De fluorescerende haren kunnen gebruikt worden voor een schimmelkweek en microscopisch onderzoek. Pas bij het zien van sporen, hyfen of schimmelharen én een positieve schimmelkweek is de diagnose dermatophytose gesteld. 

Behandeling

De behandeling van schimmelinfecties is een nachtmerrie voor elke dierenarts, dierprofessional en diereigenaar. Bij mensen is een schimmelinfectie in meeste gevallen met een antischimmelzalf te genezen. Bij dieren, met name katten, is dat een ander verhaal.

De behandeling is dan ook multimodaal en bestaat o.a. uit ‘quarantaine’, schoonmaken, lokale behandeling, systemische behandeling en monitoring. 

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort

Oorontsteking: PPSP systeem

Oorontsteking: topje van de ijsberg

Een oorontsteking is een pijnlijke en vervelende aandoening die we regelmatig bij honden zien. Bij katten zien we minder vaak oorproblemen. Dieren met een oorontsteking hebben vaak pijn en schudden met de kop of klapperen met de oren. De oorschelp en gehoorgang kan rood of ontstoken zijn en de oren zijn vaak vies (oorsmeer of pus). Als er een bijkomende infectie met gisten of bacteriën aanwezig is, dan stinkt het oor(smeer) meestal. 

Voor veel mensen lijkt een oorontsteking een simpel probleem: ontsteking of infectie → zalfje → probleem opgelost. Echter is niets minder waar, het is het topje van de ijsberg. Bij terugkerende of chronische oorontstekingen is er áltijd een onderliggend probleem. In het artikel Oorontsteking bij de hond kun je meer lezen over symptomen, oorzaken, bijkomende infecties en plan van aanpak bij chronische oorproblemen.

Om het probleem goed in kaart te brengen, wordt er al jaren geadviseerd om via het PPSP systeem te werken. Ook zijn er een aantal stappen die doorlopen moeten worden:

Stap 1: Anamnese + Signalement
Stap 2: Lichamelijk onderzoek
Stap 3: Cytologisch onderzoek
Stap 4: Behandeling van de ontsteking en eventuele infectie
Stap 5: Onderliggende oorzaak onderzoeken 

Het PPSP systeem is niet bij alle dierenartsen bekend maar staat wel in de KNMvD Richtlijn Otitis Externa bij hond en kat beschreven. Ook op nascholingen wordt er steeds meer aandacht aan dit systeem besteedt. 

Belangrijke factoren

Om een hond met terugkerende of chronische oorproblemen goed te kunnen behandelen is het noodzakelijk om het probleem zorgvuldig en systematisch in kaart te brengen. Dit doen we door middel van het PPSP systeem. Bij elke hond beoordelen we welke factoren aanwezig zijn. Bij de behandeling zullen we dan al deze factoren moeten behandelen. Een simpele behandeling met oorzalf is meestal niet afdoende.

Lees hieronder meer over de afzonderlijke factoren. 

Predisponerende factoren zijn factoren die het oor gevoeliger maken voor ontsteking (dankzij primaire factoren). Op zichzelf veroorzaken zij géén ontsteking. 

– Anatomie

  • Haren in de gehoorgang
  • Vernauwde gehoorgang (Shar-pei, Chow Chow, brachycephale rassen zoals Engelse bulldog)
  • Hangende oren
  • Harige binnenzijde oorschelp (Cocker Spaniël)

– Temperatuur en luchtvochtigheid

  • Omgeving (warmte en hoge luchtvochtigheid)
  • Regen of zwemmen

Primaire oorzaken zijn factoren die direct een oorontsteking veroorzaken (in gezonde oren).

  • Parasieten (mijten)
  • Allergieën (voedsel, omgeving)
  • Vreemd voorwerp (grasaar)
  • Hormonale problemen (te trage schildklier, Cushing, verstoring van geslachtshormonen)
  • Auto-immuun ziektes (pemphigus foliaceus, lupus erythematosus)
  • Keratinisatie- of talgklierstoornissen (primaire seborroe, sebaceous adenitis)
  • Obstructieve problemen (poliep of tumor)

Secundaire factoren zijn factoren die in een niet-gezonde gehoorgang de klachten (ontsteking) kunnen verergeren. In de praktijk ligt de focus meestal op het wegnemen van secundaire factoren. Ook deze factoren veroorzaken in de regel géén klachten bij gezonde dieren.

  • Infecties
    Bacteriën of gisten. 
  • Reactie op ‘medicatie’
    Irriteren de ontstoken huid; bv. alcohol, zure middelen (lage pH), propyleenglycol
  • ‘Overcleaning’
    De huid blijft te vochtig en verweekt. De gehoorgang kan beschadigd raken door wattenstaafjes of onkundig handelen (trauma). 

Perpetuating ofwel bestendigende factoren zijn factoren die de ontsteking in stand houden en/of verergeren en genezing voorkomen. We zien deze factoren bij chronische oorontstekingen. Zonder onderliggende oorzaak zijn deze factoren ook niet aanwezig. 

Door de chronische ontsteking veranderen de volgende aspecten:

  • Bovenste laag van de huid (epitheel)
  • Gehoorgang
  • Trommelvlies
  • Klieren

Wat zien we in de praktijk?
Als gevolg van de ontsteking zullen de opperhuid en lederhuid dikker worden en het zelfreinigende mechanisme verstoord raken. Hierdoor wordt er meer oorsmeer geproduceerd en ontstaat er een ophoping van vuil en oorsmeer in de horizontale en verticale gehoorgang. Als gevolg van blijvende of herhaalde toediening van medicatie kan er een contactallergie of -dermatitis ontstaan (zie ook secundaire factoren). 

Niet alleen is de huid ontstoken maar ook de cerumen- en talgklieren en haarzakjes gaan mee doen. Hierdoor verergeren de klachten en wordt genezing bemoeilijkt. Door de chronische ontsteking wordt de diameter van de gehoorgang steeds smaller waardoor de situatie alleen maar erger wordt. Bij veel honden met een chronische oorontsteking raakt het trommelvlies beschadigd of geperforeerd. Een middenoorontsteking zien we dan ook bij een relatief groot percentage van de honden met een chronische oorontsteking.

Door de verkalking en verbening van het kraakbeen en gehoorgang an sich heeft het dier continu pijn. Dit is het eindstadium van een chronische oorontsteking. Vaak zit er in dat stadium niets meer op dan de gehele gehoorgang operatief te verwijderen. 

Wat te doen bij een chronische oorontsteking?

Bij terugkerende oorproblemen of niet-genezende oorontsteking is het verstandig om het probleem goed aan te pakken. Ik zie regelmatig dat er geen écht plan is en dat de focus op het behandelen van de infectie (secundaire factor) ligt terwijl het probleem dus veel complexer is. 

Vraag de dierenarts om advies zodat het onderliggende probleem (primaire factor of oorzaak) achterhaald kan worden. Kom je er bij de dierenarts niet uit? Vraag dan verwijzing naar een dermatoloog

© 2019 Huidadvies voor Dieren
Geschreven door dierenarts Kelly van Amersfort